Vreemdgaan

Het Wrakkenmuseum

Arthur was alleen maar bij het museum gestopt omdat er echt niets anders te doen was op het eiland. Hij haatte Terschelling nu al. In het zuiden was er de weg langs de dijk, die eenzame grijze streep die hem langs de grijze zee voerde onder een al even grijze lucht. In het noorden waren er de duinen, meedogenloze heuvels waar de wind met vlagen tussendoor woei zodat Arthur af en toe nauwelijks vooruit kwam op zijn tandem. Dan stond hij stil, op die ene veilige seconde tussen vooruit ploeteren en willoos achteruit glijden, en moest hij uiteindelijk afstappen. De logge fiets was te zwaar voor hem alleen.

Bij de ingang van het museum stond een koperen duikhelm die hem nog het meest aan een astronautenpak deed denken: een harde huls als bescherming tegen een vreemde wereld. ‘Het Wrakkenmuseum’, was ernaast op een stuk sloophout gekalkt. Arthur rilde van de mistige motregen. Bij het bord hingen een paar foto’s van de plek die ‘museum’ genoemd werd, hoewel het eigenlijk niets meer dan een paar grote bergen troep leek voor te stellen, opgestapeld in half-vergane schepen. Blijkwaar was het woord ‘museum’ geen beschermde term zoals boter of doctor en mocht iedereen de schroothoop in zijn achtertuin zo noemen.

Het was Esther die hem naar dit godvergeten eiland had gestuurd. Hij moest zijn gedachten maar eens op een rijtje gaan zetten, opnieuw in contact komen met zichzelf en nog meer van dat soort gelul. Arthur kreeg zin om het bordje van het Wrakkenmuseum nog wat verder te slopen. De stelligheid waarmee Esther die Happinez-onzin had verkondigd maakte hem haast net zo kwaad als de herinnering aan haar ogen, die de kleur van afgekoeld badwater hadden gehad op die avond dat ze zijn whatsappberichten had gelezen.

‘Hoeveel kost het?’ vroeg Arthur aan de man die op een plastic stoel bij de ingang van het museum zat. Hij had nog maar een paar slierten haar die nat op zijn hoofd lagen, en in zijn mondhoek zat een gouden tand die net als de museumstukken lange tijd op de zeebodem leek te hebben gelegen.
‘Tot één meter is het gratis’, zei de man. ‘Boven de twee meter ook.’
Het duurde even voordat Arthur snapte wat hij bedoelde. ‘En hoeveel is het voor mensen met een normale lengte?’
‘Wat is normaal, hè? Tussen de één en anderhalve meter kost het één euro vijftig. Tussen de anderhalf en twee meter kost het drie euro.’
Arthur besloot er niet op in te gaan, niet wetend of het een grap van de man was of dat ze hier werkelijk hun toegangsprijzen op deze manier berekenden. ‘Heeft u terug van vijftig?’

Terwijl hij het wisselgeld in zijn portemonnee stopte, slenterde Arthur verder. Gatver, wat haatte hij Terschelling. Hij haatte de verhuurder van zijn huisje die alleen een tandem voor hem had gehad zodat zijn benen nu gesloopt waren, hij haatte de wrakstukken om zich heen waarin hij plotseling zijn eigen leven weerspiegeld zag en hij haatte zijn hoofd waar het al net zo’n puinhoop was als hier. Waarom was Marina zo jong? Waarom werd Esther zo oud? Hij haatte de klassieke eikel die hij was.
Arthur liep langzaam terug naar de ingang van het museum om de duikhelm nog een keer te bekijken, die duidelijk het hoogtepunt van de tentoonstelling was. Hij tikte op het koper. Hoe veilig zou het zijn geweest om daarmee het water in te gaan? Plotseling voelde hij hoe het moest zijn om in dat ding naar de zeebodem af te dalen, slechts van die duizenden liters water gescheiden door een dun laagje metaal, en hij voelde het zo sterk dat het leek alsof het een herinnering was en geen fantasie. Hij keek om zich heen; de oude man zat niet meer bij de ingang. Zonder precies te weten waarom liet Arthur zich op zijn knieën vallen en stak zijn hoofd in de helm, wat waarschijnlijk makkelijker was gegaan als hij korter dan zijn één meter achtentachtig was geweest. In de helm rook het metalig en het koper voelde koud tegen zijn hoofd. Het vieze glazen ruitje aan de voorkant legde een waas over de wereld, waardoor hij zich bijna van alles afgeschermd waande. Toen haalde hij zijn telefoon uit zijn zak, hield hem in zijn gestrekte arm en lachte voor het eerst in dagen.

Arthur besloot de foto zowel naar Esther als Marina te sturen. ‘Kom maar op, ik zit veilig’ schreef hij eronder en hij drukte tweemaal op ‘verzend’. Toen pas vroeg hij zich af of dat wel een goede beslissing was, maar het was al te laat. De foto vloog naar zijn twee geliefden toe. Binnen een seconde zat Arthur in Esthers warme broekzak en tegelijkertijd in die van Marina, alsof hij zichzelf eindelijk in tweeën had kunnen splitsen, vrolijk lachend achter het ruitje van die belachelijke koperen helm.

Standaard