Gnuiven

De aanslag

De hormonen gonsden zo hard door het lokaal dat ze bijna hoorbaar waren. Ruiken kon meneer Wildeman ze niet, aangezien ieder puberaal lichaamsluchtje in de klas verhuld werd door een artificiële damp van parfum en bubblegum.

‘We kunnen de dobbelsteen die in De Aanslag voorkomt dus zien als een motief’ zei hij. ‘Je weet bij een dobbelsteen nooit hoeveel ogen je zal gooien. Daarom staat deze voor toeval, voor het lot dat je niet in eigen handen hebt.’
Achterin de klas werd er gegiecheld, voorin scheurde iemand een bladzijde uit Mulisch’ boek.
Tygo, een van de kinderen die zoveel gel gebruikte dat zijn haar wel een helm leek, zei: ‘Ik vind dat een beetje vergezocht, meneer.’

Meneer Wildeman werkte vierentwintig jaar op het Fons Vitae Lyceum. Veel dingen in zijn leven leken gegroeid sinds zijn begintijd: zijn oren, zijn huis, de lijst met boeken die hij gelezen had. Gekrompen waren echter zijn vriendenkring, de rondjes die hij rende in het park en het aantal keer dat hij lachte op een dag. Binnenkort zou hij echter weer genoeg tijd hebben voor al die dingen.

‘Waarom vind je het vergezocht?’ vroeg meneer Wildeman. Hij zuchtte nog net niet.
Tygo wilde antwoord geven maar werd aan zijn haar getrokken door Tara, het meisje achter hem.
‘Ga niet slim doen!’ zei ze. ‘Je hebt het boek niet eens gelezen.’
‘We hebben met zijn allen de film gekeken, meneer’, riep Rutger achterin. ‘Denkt u dat we nu het proefwerk kunnen halen?’
Gelach, ‘Ssssj’-geroep.

Meneer Wildeman had nog nooit een klas gehad die echt geïnteresseerd was in literatuur. De kinderen werden teveel afgeleid door hun eigen leven, dat met het groeien van hun slungelige lichamen langzaam vorm begon te krijgen, zodat ze zich nauwelijks konden concentreren op de levens personages. Meneer Wildeman had nog twee weken om één van hen te inspireren; dan zou hij met pensioen gaan.

‘Ik vind het mooi bedacht van Mulisch, hoor’, zei Pieter, de jongen die net een bladzijde uit zijn boek gescheurd had.
Die Pieter was een twijfelgeval. Hij praatte vaak door meneer Wildeman heen maar kwam wel met verrassende analyses op zijn proefwerken.
‘Ik ga deze boven mijn bed hangen’, zei Pieter terwijl hij de losse bladzijde hoog in de lucht hield. Met luide stem las hij voor: ‘Zijn schoenen sloffen en het is of zij wolkjes as opwerpen, ofschoon nergens as te zien is.’ Iedereen lachte.

Toen hij zelf nog jong was had meneer Wildeman geen docent nodig om hem tot lezen aan te zetten. Wanneer hij aan vroeger dacht, dacht hij vooral aan de woorden van Nabokov, Multatuli en Flaubert. De gedachten aan hun boeken overschaduwden meneer Wildemans andere herinneringen: die aan hoesten in een rokerig portiek, aan kauwgom-jatten bij het tankstation, en zelfs die aan de langverwachte bh op de vloer van zijn slaapkamer. Dat meneer Wildeman zijn liefde voor literatuur maar niet kon overbrengen op zijn leerlingen maakte dat hij soms met samengebalde vuisten voor de klas stond.

‘Dat is fijn, Pieter’, zei meneer Wildeman.’Wat vind je precies mooi aan De Aanslag?’
‘Even denken, meneer’, zei Pieter terwijl hij frutselde met zijn blaadje.
Hier en daar werd er gegrinnikt, maar meneer Wildeman lette er niet op. Waren zijn lessen toch niet voor niets geweest? Hij begreep het gelach van de andere kinderen pas toen hij Pieters hand omhoog zag gaan, en hij riep nog: ‘Hé! Stop daarmee!’, maar het was al te laat. De bladzijde van De Aanslag stortte in de vorm van een vliegtuigje aan meneer Wildemans voeten neer.

Standaard