Op muziek

De fabuleuze bestemming van Nino Quincampoix

Toen hij na vier jaar terugkwam in Amsterdam verbaasde het Nino hoe licht de stad was. Hij was vertrokken op een novembermiddag en hij zag de stad altijd voor zich zoals ze toen was geweest, met de gladde stenen van bruggen boven reflectieloze grachten, de kille hoge panden, de donkere wolken boven het Centraal Station die het gebouw de aanblik gaven van een duister sprookjeskasteel. Maar scherper nog dan dit alles zag hij altijd het spoor van meisjestranen voor zich dat zijn trein de hele rit had achtervolgd.

Met de zomerzon in zijn rug ging Nino na die vier jaar zijn nieuwe Amsterdamse huis binnen. Het rook er nog naar verf en de geur van zijn aftandse appartementje in Parijs was onmiddellijk vergeten. Er lag iets op de mat. Het leek een soort briefje van glanzend, dik papier, en hij pakte het op. Laten we wat drinken stond er in zwarte inkt. Hij draaide het om, op zoek naar een afzender, maar in plaats daarvan zag hij een foto. Het was een afbeelding van een molen, de molen bij Brouwerij het IJ als hij zich niet vergiste. Hij keek op, de helderwitte gang in, en probeerde voorzichtig in te schatten hoe groot de kans was dat er op dat moment een roodharig meisje op hem zat te wachten met het schuim van een amberkleurig biertje op haar prachtige, iets te grote bovenlip.

Toen hij Amelia een paar weken daarvoor had laten weten dat hij terug zou komen naar Amsterdam had ze teruggestuurd: ‘Ik weet niet of ik je wil zien’.
Hij had geantwoord: ‘Ik weet ook niet of ik jou wil zien’.
Er was liefde, maar die lag nog verscholen onder een harde korst van geschreeuw en tranen via een trage telefoonverbinding, die zich de laatste jaren had gevormd.

Ze was er nog niet. Nino bestelde een biertje en ging op het terras zitten met uitzicht op de wieken van de molen, die telkens voorbij draaiden als de versnelde wijzers van een klok.
‘Kom op, Amelia’ fluisterde hij voor zich uit. De gedachte dat ze niet zou komen wikkelde zich als een strak koord om zijn keel.
‘Deze is al betaald, meneer’, zei de ober toen hij een goudgeel glas voor hem neerzette. Nino hoorde het nauwelijks en nam een slok om het drukkende gevoel op zijn keel weg te spoelen. Toen pas zag hij de foto die opgekruld tegen de binnenkant van het glas zat.

Op het moment dat ze elkaar vier jaar geleden op het station hadden omhelsd, had ze hem beloofd: ‘Ik blijf je trouw’. Naïeve geliefden maken elkaar al duizenden jaren dezelfde dingen wijs, en ze leren nooit van elkaar. Amelia beminde vele mannen in haar zo geliefde stad. Iedere keer dat Nino haar uitkijkend op de rood bedekte Franse daken voor leugenaarster uitmaakte, was het enige dat ze antwoordde: “Jíj bent weggegaan.”

Nino was weer op de fiets gesprongen; hij rinkelde luid naar een man die midden op de weg reed en negeerde een rood stoplicht. Op de foto in het bierglas stond een fontein afgebeeld, samen met een hotdog-kraam en wat bomen. Laten we wandelen, stond erop de achterkant. Tijdens hun eerste afspraakje, jaren geleden, hadden hij en Amelia door het Vondelpark geslenterd. Het was zijn idee geweest zodat ze met elkaar konden praten zonder dat ze elkaar hoefden aan te kijken, en zodat ze de ongemakkelijke stiltes op konden vullen met commentaar op zwemmende peuters en rolschaatsers. Hij was er al bijna.

Bij de hotdog-kraam hoefde hij niet lang te zoeken naar weer een volgende foto. Deze was tegen een boom geprikt en er stond een wit bruggetje op afgebeeld; hij zag meteen dat het de Magere Brug was. Op de achterkant waren de woorden geschreven: Laten we zoenen. Tijdens hun relatie was Nino degene geweest die Amelia lieve briefjes schreef. Hij stapte weer op zijn fiets.

Nino was nu bijna alle plekken langsgegaan: die van hun eerste ontmoeting, hun eerste verliefdheid, hun eerste zoen. Het verbaasde hem hoe goed hij de weg nog kende in een stad die al zo lang niet de zijne was geweest. Amsterdam leek wel een kloppend hart met een oneindige stroom fietsers, trams en taxi’s die met veel kabaal door haar aderen werden gepompt. De zon scheen op de Amstel, verblindde hem bijna. Nino stak de brug bij het Waterlooplein over en toen zag hij haar. Amelia stond tegen de leuning van de Magere Brug geleund. Van deze afstand zag ze er nauwelijks anders uit dan de andere mensen, maar het was haar echt.

Met zijn fiets aan zijn hand liep hij naar haar toe. Hij begreep niet hoe ze zo weinig veranderd kon zijn in al die tijd: ze was nog even mager en haar dieprode haar was nog even lang.
‘Ik heb je gevonden’, zei hij, en stopte.
Amelia gaf hem een nieuwe foto. ‘Misschien kunnen we samen verder zoeken’, zei ze. Toen kwam ze nog dichterbij, pakte hem vast en zoende hem. Zijn fiets viel op de grond, de bel rinkelend tegen het asfalt. Misschien was het de verrassing, of de ontlading, of de opluchting die vrijkwam tijdens die zoen, maar toen haar lippen de zijne raakte stroomden de tranen over zijn wangen.
Toen liet ze hem los en zei: ‘Bekijk de foto maar’.
Met tegenzin wendde Nino zijn ogen af van haar lippen, die nog roder waren dan voor hun zoen, en hij zag dat de foto enkel bestond uit overbelichte cirkels en een paar kleurige vlekken. Vragend keek hij op, maar ze zei niets. Uiteindelijk draaide hij het papier om en las hardop: ‘Laten we opnieuw beginnen’.


Bij het thema ‘op muziek’ moet het verhaal enigszins betrekking hebben op een liedje. Bij dit verhaal is dat ‘Die fabelhafte Welt der Amélie:

Standaard