Verhaal #466 • Afgesproken thema: Cabaret

Die keer dat ik de Hitlergroet bracht

Twee derde van het zeilkamp was jongen, wat een behoorlijke druk gaf op de aanwezige meisjes. Niet dat ze dat vervelend vonden. We waren vijftien en zestien, dus de hormonen tierden welig. In een week op de Friese meren leerden we aan de wind zeilen, gijpen, overstag gaan en wat dies meer zij. De begeleiders waren aardige, zij het wat wereldvreemde studenten. Welke student gaat er dan ook vrijwillig met hormoonbommetjes in een klein bootje zitten?

Eén van de beste herinneringen die ik aan dat zeilkamp heb is het maken van tompoezen op de boot. We hadden zo’n doe-het-zelfpakketje gekocht en met het hoosblikje, onze handen en een hoop goede wil wisten we, wonder boven wonder, de tompoezen in elkaar te zetten.
Kort daarna volgde een soesjesgevecht, waarbij gewone én chocoladesoesjes tussen de boten heen en weer werden gegooid. Nu zeg je misschien zonde, maar dan vergeet je dat het heel erg grappig was.

Aan het eind van de week was er de bonte avond. Natuurlijk. Eén van de onderdelen, naast een soort talentenjacht en flauwe stukjes, was een modeshow. We kregen allemaal een partij vuilniszakken en mochten daarmee onze outfit in elkaar zetten. Om me heen zag ik meisjes direct aan de slag gaan en ingewikkelde patronen knippen. Ik zag ook jongens, maar die zaten vooral onwennig naar het zwarte plastic te kijken.
Nadat ik mijn vuilniszak had opengevouwen en tien minuten mee had rondgezwaaid, kwam ik erachter dat de Romeinen zulke rare jongens nog niet waren. In de strips van Asterix en Obelix die ik las, liepen zij altijd rond in gewaden die om één schouder hingen en voor de rest om het lichaam waren geslagen. Een ‘Chiton’ heet dat, en dit kledingstuk was verrassend makkelijk te maken. Je had er geen naaispullen, lijm of scharen voor nodig. Een knoop volstond. Trots op mijn ontdekking tooide ik me in de kleding van een Romeinse keizer en maakte mezelf een kroon.

Toen iedereen klaar was begon de modeshow. Over een verhoging liepen we tussen onze zeilkampgenoten door en deden een pose. Ik zag meisjes met tassen en ongelooflijk ingewikkelde jurkjes en jongens met vuilniszakken over hun hoofd. Toen was ik. Ik zette mijn stoerste hoofd op en liep als een vorst over het podium. Er werd geklapt en gelachen, ze begrepen wat ik deed. Toen ik aan het eind kwam was het tijd voor mijn pose. Ik besloot te doen wat ik de Romeinen altijd zag doen in Asterix & Obelix. Ik bracht mijn rechterarm naar voren hief hem gestrekt, schuin boven m’n schouder. ‘Avé’, zei ik. En het bleef stil. Geen lach te bekennen, geen applaus zoals bij de anderen. Niemand las Asterix, begreep ik. Of ik deed iets verkeerd, maar een idee van wat dat was had ik niet.

Na een seconde die veel te lang leek te duren draaide ik me om en liep het podium weer af. Voorzichtig werd er geklapt, daarna harder omdat er weer een meisje met een bizarre creatie het podium afkwam.

In mijn hersens is die avond altijd achtergebleven als een zeer gênant moment in mijn leven, één van de velen. Pas drie jaar later begreep ik waarom dat was. Ene Adolf had de Romeinse groet óók dankbaar overgenomen.



Wie is Jan Emmens?

Die krullen, altijd weer die krullen. De krullen op het hoofd van geboren Fries Jan Emmens zijn in de Amsterdamse kroegen tegenwoordig minstens zo bekend als de nooit uit de mode rakende hits van André Hazes. Maar pas op, Jan is meer dan die krullen. Soms draagt hij bretels en bij heel speciale gelegenheden zelfs een stropdas. En dat proef je in z’n schrijven, die totale gekte en lak aan stijlregels. Van negen tot vijf hangt Jan de copywriter uit en dan is er ook nog die in de steigers staande comedyserie waar Nederland volgens hem al jaren op wacht. (HdK) Volg Jan op Twitter →
Standard