Maskers

Ik ben er

Hij smijt me van zich af alsof ik een vuilniszak ben. Met een smak beland ik in de hoek en val voorover in het stof. Ik kijk hem na terwijl hij verder loopt richting de keuken. Hij kijkt niet meer om, het boeit hem niet hoe ik terecht ben gekomen. Meestal laat hij me uren achtereen liggen en komt hij me, als hij er klaar voor is, weer halen. Ik ben vies en vuil en hij gebruikt me.

Vroeger was dat wel anders. We reisden samen door Europa en zagen Praag, Budapest, Bratislava, Zagreb, Venetië, Parijs en Antwerpen. We verdwaalden samen, raakten elkaar kwijt, vonden elkaar weer en werden samen beroofd. Als ik moe was tilde hij me en als hij moe was ondersteunde ik zijn hoofd. Naast elkaar zaten we op de stoep te luisteren naar straatmuzikanten, te eten of gewoon even te niksen.

Een zomer later trokken we door Brazilië. We zagen de ongekende schoonheid van Ipanema en Copa Cabana, de eindeloze jungles en het Christusbeeld. We zagen ook de favela’s, de zwervers en de bedelende moeders. We belandden samen per ongeluk in een stripclub en sprongen ook samen weer in de taxi terug naar het hostel waar we sliepen, in een schimmelig kamertje. We stonken ’s ochtends. Naar schimmel vooral, maar ook naar elkaars zweet. Het was warm in Rio. Zeker voor Hollanders.

Deze week is het tien jaar geleden dat we elkaar leerden kennen. De derde klas van de middelbare school. Het was net uit tussen hem en zijn vorige. Ze was zo’n dikke geweest en dat hij nu met mij zou gaan was niet heel goed voor m’n reputatie. Ik zag er doorheen. Ik zag hem voor meer dan hij leek te zijn. We trokken veel samen op. Geschiedenis, aardrijkskunde, economie, altijd zaten we naast elkaar. Vaak zocht hij in een van m’n zakken nog gauw een pen op, die ik toch altijd bij me had en hij eigenlijk nooit. Ik vond het een leuk trekje van ‘m, zoals je het ook leuk kunt vinden dat iemand op een bepaalde manier lacht of je aankijkt.

We gingen hetzelfde studeren in Amsterdam. Op een kamertje leefden en leerden we samen. Ik ging met hem mee als hij en z’n nieuwe vrienden zich gingen bezatten in een kroeg. Vaak bleef ik wat op de achtergrond en vergat hij dat ik er was. Aan het eind van de avond kwam hij me dan ladderzat weer opzoeken. Ik bleef omdat ik van ‘m hield. En op de avonden dat hij me bij zich hield genoot ik extra.

Naarmate ik ouder werd begon hij z’n interesse in me te verliezen. Ik kreeg meer en meer het gevoel dat ik een gebruiksvoorwerp was en dat hij me alleen opzocht als hij mij nodig had. En niet andersom. Als hij naar me keek had ik niet het gevoel dat hij me zag. Zoals ik door hem heen had gekeken om zijn leuke kant te ontdekken keek hij door me heen om me te vergeten. Als hij me meenam belandde ik in hoekjes en als ik thuisbleef kwam hij ruikend naar een ander thuis. Ik ben een fase voor hem geweest.

Hij komt de keuken uitlopen. Hij zoekt even, pakt een boek en z’n laptop, schuift ze in me, tilt me op en slaat me om beide schouders. Met z’n arm zoekt hij in m’n voorvakje naar z’n sleutels, vindt ze, loopt de deur uit en vertrekt. Ik mag weer mee.

Standaard