Maskers

Gloeiendhete pijn

Het water was gloeiend heet. De druppels kletterden hard op haar al rode huid. Ze hoopte dat het water haar hartzeer weg zou spoelen. Onzin natuurlijk. Dat wist ze zelf ook wel. Maar ze had toch niets beters te doen. Bovendien was het water heter dan haar tranen. Dat voelde goed. Dan vielen de tranen niet zo op.

‘Ik kan het niet meer’, had hij gezegd. ‘Je bent te ver gegaan.’ En hij had zich omgedraaid en was met zijn armen slap langs zijn lichaam haar huis uitgelopen. Te ver gegaan. Ze was veel te ver gegaan. Grenzen opzoeken, daar was ze goed in ja. En er dan telkens net een stukje overheen gaan. Kijken of ze dat kon maken. Of hij dan toch bij haar zou blijven. Twee jaar had hij dat gedaan, maar de scheurtjes en barsten die zij had veroorzaakt waren nu helemaal uiteen gevallen. Er ontbraken nu stukjes. Vertrouwen bijvoorbeeld. Lijmen had geen zin meer.

Haar maag krampte samen en een hete golf gal kwam omhoog. Bijna net zo heet als het douchewater. Ze liet het gewoon uit haar mond vloeien. Het interesseerde haar niet. Het braaksel droop over haar borsten en werd door de hete stralen water weggespoeld. Langs haar enkels. Het doucheputje in.

Ze keek naar haar enkel, waarop twee maskers stonden getatoeëerd. Een lachende en een huilende. Ooit hadden ze de maskers gekscherend Daan en Esther genoemd, maar toen kregen ze ruzie over welke naam het huilende masker zou krijgen en welke het lachende. Ze had zichzelf altijd met het lachende masker geassocieerd.

‘Ik wil je niet kwijt’, had ze gehuild. ‘Dat ben je al’, zei hij koud. Ijskoud. Veel kouder dan de temperatuur buiten ooit zou worden.
Het besef dat ze niet zomaar iemand kwijt was, maar juist hém, kwam keihard binnen. Haar geest leek het te doseren. Als alles in één keer kwam, zou ze waarschijnlijk krankzinnig worden. Ze onderdrukte de neiging om te gillen. Haar keel deed pijn, branderig van de zure kots. Lichamelijke pijn was beter dan andere pijn.

Ze was altijd blij geweest met de maskertjes op haar enkel. Nu vond ze ze afschuwelijk. Vandaag gaf ze haar eigen naam definitief aan het huilende masker. Het masker van drama. Het masker van misère. Het masker van ongeluk. Het masker van ‘wat een afschuwelijk, stom, achterlijk kutwijf ben je toch ook’.

‘Misschien wordt het tijd dat je eens écht aan jezelf gaat werken’, had hij gezegd. Ze wist dat hij gelijk had, maar ze wist verdomme niet hoe. Ze wist gewoonweg niet hoe ze dat moest doen. Stoppen met destructief gedoe. Simpel gezegd.
Het mesje dat ze mee in de douche had genomen trok diepe, bloederige wonden in het huilende masker. Het deed pijn en dat luchtte op. Dat was nu het allerbelangrijkste: de Esther op haar enkel pijn doen, te vermoorden desnoods. Van het ongelukkige masker bleef weinig meer over dan een bloederige massa. Het lachende masker stond er eenzaam naast.

Standaard