Verhaal #22 • Afgesproken thema: Sinterklaas

Donker

Een natte pluk blijft in mijn mondhoek hangen en ik zuig de sneeuw uit mijn haar. Je mag geen sneeuw eten, maar hoe ouder ik ook word, iedere keer als er verse sneeuw op een autodak ligt, pak ik een beetje en stop het in mijn mond.

Als ik ’s avonds met de hond op straat loop, en niemand me sneeuw kan zien eten, geef ik de hond op zijn donder omdat hij gezellig met me mee eet. “Daar krijg je een koude buik van en ik wil vannacht niet je kots opruimen.”
Tegenover het huis van mijn zus zet ik mijn fiets op slot. Het fietssleuteltje valt en het rolt even door. Ik buk, voel de steen in mijn buik rustig meerollen. Mijn rugzak schuift in mijn nek, tegen mijn achterhoofd aan en als ik omhoog kom valt er een sneeuwvlok in mijn oog.
“Ik had vandaag sjans met een Zwarte Piet,” roept mijn zus vanuit de keuken.
Met mijn hoofd schuin lees ik de titels in haar boekenkast. “Oh?”
“Ja. Ik stond bij de kassa en nou ja. Ik weet het niet zeker, maar hij keek me zo aan met een blik van ‘Ga jij maar eens mee in de zak naar Spanje’.” Mijn zus lacht terwijl ze de aardappels stampt. “Heb je honger? We eten boerenkool, misschien niet zo chic maar het past zo goed bij deze avond.”
“Jawel hoor.”
Mijn zus heeft kaarsen aangestoken en de tafel mooi gedekt. “Ga lekker zitten, lust je wijn?”
Ik knik.
Ze schenkt de wijn in, een rode druppel glijdt langs het glas zo op het witte damast.
Onze glazen klinken.
“Op Sinterklaas!” en ze knipoogt.
“Op de Sint.”
Tijdens het eten is het stil. Ik wacht af. Het duurt even voor mijn zus haar servet op tafel gooit en haar stoel naar achteren schuift. “Ik kan hier niet meer tegen. Ik weet het niet meer met jou. Is het de winter? Dat het zo donker is, kun je daar dan niet meer tegen?”
Ik staar haar aan. Als ik knipper rolt er een traan over mijn wang. Bij mijn mondhoek lik ik hem op.
“Waarom huil je iedere keer als ik je zie? Je bent 23, dit hoort niet. Je hoort gewoon gelukkig te zijn en leuke dingen te doen. Niet met mij op pakjesavond saaie boerenkool te eten.” Ze schuift haar bord opzij en pakt mijn hand. “Wat is er aan de hand?”
Ik sta op en loop naar mijn zus toe. Kruip op haar schoot en leg mijn hoofd tegen haar aan.
Ze pakt mijn haar vast, draait een pluk om haar vingers en zo zitten we even.
In de gang geeft ze me een onhandige knuffel. “Je kunt me altijd bellen.”
Ik haal mijn fiets van het slot. Fietsen durf ik nu niet, bang dat ik keihard met mijn hoofd op de stoeprand val en er niemand op mijn begrafenis komt. Dus ik loop.
Mijn zus kijkt me na. Ze houdt de kraag van haar vest stevig tegen zich aangedrukt. Ze steekt haar hand omhoog en zwaait. Ik zwaai terug en draai me weer om.
Bij het stoplicht sta ik naast een auto. In de auto zit een Zwarte Piet. Hij lacht naar me.
Mijn hand gaat richting het dak van zijn auto. Er ligt zo’n vier centimeter verse sneeuw. Ik kijk de Zwarte Piet aan en prop mijn mond vol.

Robin Smits



Wie is gastschrijver?

Dat ben jij! Nou ja, als je een beetje handig met woorden bent. Jouw verhaal ook op de website van Schrijversgenootschap De (Voorheen) Lege Bladzijde? Stuur je beste werk naar info@schrijversgenootschap.nl en laat je lezen!
Standard