Jubileum

Honderdvijftig dagen van stilte vier je niet

Voor het eerst fietste ik zonder te verdwalen naar de afgesproken kroeg in de binnenstad. Ik was er trots op, maar besloot bij het vastmaken van het hangslot niks te zeggen tegen mijn vrienden omdat ze deze mijlpaal niet zouden begrijpen.

In mijn eentje jubelde ik voor de deur van het café en bijna had ik haar een berichtje gestuurd om te vertellen over deze nieuwe overwinning in mijn volwassen leven in de grote stad.
Maar ik deed het niet.
De zogenaamd wijze stem in mijn hoofd zei dat het na exact honderdvijftig dagen van stilte wel een beetje raar zou zijn om juist nu weer contact op te nemen en dan ook nog over zoiets triviaals. Alsof ze daar op zit te wachten na alles wat er is gebeurd.
De jubelstemming verdween en gespeeld opgewekt stapte ik de kroeg binnen.
Aan de bar zat mijn beste vriend Pieter al. Hij vroeg of ik het een beetje had kunnen vinden. ‘Of ben je weer achter de tram aangereden?’
Voor komedisch effect loog ik over mijn succesvolle fietstocht en hield hem voor dat ik een half uur lang had lopen ronddolen in de buurt en uiteindelijk maar een taxi was ingestapt.

Je zou het lang kunnen noemen, honderdvijftig dagen. En dat is het ook. Te lang. Toch kost het me weinig moeite om dat laatste gesprek weer voor de geest te halen. Automatisch volgen dan flarden van gesprekken van nog meer dagen geleden. Gesprekken die steeds meer zijn gaan betekenen dan die laatste kille mededeling. Gesprekken die langzaam maar zeker getransformeerd zijn tot warme herinneringen zonder logisch vervolg.

Aangeschoten fietste ik die nacht in één keer terug naar huis. De winter nadert en dat stemde me nog somberder. Het was gezellig geweest, we hadden gelachen, maar een feestavond werd het nooit.
Dagen van stilte vier je niet.
Toch tel ik ze om niet los te laten.

Standaard