Verhaal #433 • Afgesproken thema: Jubileum

Met een urn in de tram

Maandagochtend, vijf voor acht. Er stapt een man in de tram. Hij heeft een urn onder zijn arm.

Dinsdagochtend, vijf voor acht. Er stapt een man in de tram met een urn onder zijn arm. Wat nou als de tram opeens remt en de urn uit zijn handen vliegt en alle as door de tram dwarrelt? Doden horen niet met het openbaar vervoer te reizen.

Woensdagochtend, vijf voor acht. Er stapt een man in de tram met een urn onder zijn arm.
Ga niet tegenover me zitten, wens ik in stilte. Ga niet tegenover me zitten. Ga niet… Hij gaat tegenover me zitten.

Donderdagochtend, vijf voor acht. Ik zit in de tram als er een man tegenover me gaat zitten. Hij heeft een urn onder zijn arm. De ramen zijn beslagen door alle dampende lichamen die zich zo dicht bij elkaar bevinden, en de man veegt zijn stukje raam schoon met zijn mouw. Hij slaakt een hoorbare zucht. Even kijk ik hem recht in zijn gezicht: mensen in de tram horen geen geluiden te maken.

De tram rijdt over een zebrapad en klingelt.
‘Mooie beesten hè, zwanen,’ zegt de man opeens. ‘En trouw dat ze zijn!’
Hij kijkt niemand aan terwijl hij praat dus ik ga ervan uit dat hij het tegen zichzelf heeft.
‘Een mannetje en een vrouwtje blijven hun leven lang bij elkaar. En als een van de twee doodgaat, dan duurt het jaren voordat ze daar overheen komen.’
Ik ontdek een vlekje net boven mijn knie.
‘Vroeger was ik buschauffeur,’ gaat de man verder. ‘Ik reed lijn 15, elke dag.’
Misschien is het eierstruif. Ik had haast vanochtend en bakte op een veel te hoog vuur, waardoor de vloeibare smurrie alle kanten op spetterde. Ik had het meeste al met de spatel weggeschraapt.
‘Op een keer vlogen er twee zwanen, zo rakelings voor me langs. Het mannetje overleefde het, maar het vrouwtje was niet snel genoeg. Ik zag hoe haar silhouet op de voorruit geplakt was; haar vleugels gespreid en haar nek in een vreemde hoek.’
Ik lik aan mijn vinger en wrijf over mijn broek. Het gaat er makkelijk af.
‘Tenslotte viel ze eraf en ik reed door. Ik moest me altijd aan de dienstregeling houden.’
Omdat mijn broek nu geen afleiding meer biedt, veeg ik net als de man een kijkgaatje in het beslagen raam. Een stoplicht verspringt.
‘Het mannetje heeft een jaar lang op datzelfde stuk met de bus meegevlogen, hopend dat ze terug zou komen. Soms dacht ik ‘als ik hem nou ook eens aanrijd, dan is hij uit zijn lijden verlost.’’
Uit mijn ooghoek zie ik dat hij opstaat voor de volgende halte. ‘Ik kon het niet.’

Vrijdagochtend, vijf voor acht. Ik zit op dezelfde plek in de tram en ik wacht op de man. Ik heb aan hem gedacht; aan hem en zijn urn. De tram stopt bij zijn halte maar er stapt niemand in met een dode onder zijn arm. We rijden verder, over het drukke kruispunt op de Ceintuurbaan, en stoppen opnieuw. Hier stapte de man elke keer uit. Ik draai me om en zie door de achterruit van de tram de auto’s voorbij razen. Zou hier de zwaan zijn doodgereden? Ik zucht hardop. Misschien spreken buschauffeurs ook wel eens in metaforen. Misschien kwam hij hier al maanden met zijn urn en is het jaar nu eindelijk om. Ik druk op de stopknop. Misschien was hij gewoon een gek met een lege vaas.



Wie is Mirjam Brouwer?

Met de dag wordt het waarschijnlijker dat u van Mirjam heeft gehoord. Ze scoorde de derde plek in de Opium verhalenwedstrijd én haalde de longlist van de Grote Lowlands Schrijfwedstrijd. Hoogste tijd voor de volgende stap in haar reeds imposante carrière: een vaste plek bij Het Genootschap. En hoewel wij eigenlijk niet op zoek waren naar een nieuwe collega, landde haar open sollicitatie tóch op vruchtbare grond. Omdat je voor sommige talenten gewoon plek moet maken. En omdat ze beloofde elke week een cake voor ons te bakken. Noemen wij in de schrijverswereld een klassieke win-win situatie, maar dat stukje vakjargon mag u meteen vergeten. Enfin, show don’t tell, Mirjam. (JE / HdK) Check de Verhalenfabriek van Mirjam →
Standard