Jubileum

De terugweg duurt langer

De zon moest nog opkomen, maar ik stond al op de afgesproken plek. De combinatie van het wachten en de geruisloosheid van het parkeerterrein deden me de urgentie van de opdracht beseffen. Ik snoof diep en blies mijn adem in een lange, witte wolk uit. Het licht van door de wind geteisterde hanglampen verlichtte iemand die een hond uitliet terwijl er een wit bestelbusje arriveerde. De chauffeur en ik groetten elkaar met een knik. Dit werk vereiste discretie, elk weekend weer.

Op de zijkant stond met grote blauwe letters de naam van een bedrijf: Hermans Hekwerk. Ik ging achterin zitten en trok de schuifdeur achter me dicht. Mijn collega had de motor laten draaien en keerde om.

‘Mooie bus,’ zei ik, terwijl ik mezelf de tijd verschafte om de inhoud van de laadruimte in te schatten. Hij keek over zijn schouder, gromde iets en trapte het gaspedaal in. Ik hoopte dat het zou gaan passen.

De terugweg duurde voor mijn gevoel langer. Dat was elke week het geval. Vroeger was dat niet zo. Als ik bij mijn vader in de auto zat op van een of andere klus, vroeg hij elke keer of ik wist waarom de terugweg korter leek. Omdat je twee keer zo hard rijdt, dacht ik, maar ik zei niks. Dan zei hij altijd: omdat je de weg al weet, jongen. Omdat je de weg al weet.

Na een kwartier stilzwijgend naast elkaar te hebben gezeten op de zo goed als verlaten snelweg bood hij me een sigaret aan en drukte de aansteker van de bestelbus in. Terwijl we wachtten tot de sigarettenaansteker heet genoeg was, keek hij me aan en wees hij op de autoradio om aan te geven dat er nog een cd in zat. Hij drukte op play. Het display lichtte op en er kwam Track 01 te staan. We keken elkaar hoopvol aan. Lachend, alsof we ons op deze manier van de spanning probeerden te ontdoen.

‘Dit is Phil Collins, man,’ riep ik, nadat de chauffeur de afrit had genomen.
Hij rukte de aansteker los, draaide een kwartslag en hield het gloeiendhete metaal vlak voor mijn gezicht.
‘Dacht je dat ik dat niet wist?’
Ik staarde hem bezorgd aan, niet omdat ik niet begreep waarom hij mij zou willen bedreigen – het was een test, een teken van wantrouwen en volkomen verklaarbaar – maar omdat hij zijn ogen nu al geruime tijd van de weg af had. Toen hij mijn onrust bemerkte, lachte hij en begon met zijn linkerhand korte rukjes aan het stuur te geven. De bestelbus schommelde heen en weer.
‘Dit is een jubileum-album, flikker,’ schreeuwde de bestuurder, ‘ruim veertig jaar Genesis verzameld op drie cd’s. Niet doen alsof ik dom ben!’
Terwijl ik hem uitlegde waarom hij rustig moest doen – de goederen achterin zouden immers zichzelf niet bezorgen en niemand had er wat aan als we hier met een volle bus tegen een boom zouden knallen – draaide hij begerig aan de volumeknop. Hij hoorde mij niet, ik hem evenmin.

Ik keek naar de man naast mij. Wie was hij? Wat had hij meegemaakt? Had hij kinderen, was hij een mens met verlangens?
Uit het niets stond er een schaap breeduit op de weg, verlicht door de eerste stralen van de zon. Het enige wat ik deed, was ernaar wijzen.

Standaard