Fietsende Duitsers

Vergetelheid zou de pijn doen sneuvelen

In het verpleeghuis waar ik woon, zie ik vaak dementerende mensen en ik ben jaloers op ze.

Jaloers op de vergetelheid. Het lijkt me heerlijk niet meer te weten wie je bent. Niet meer weten wie je was. En vooral: niet meer weten dat je grote liefde al zo’n zeventig jaar dood is. Dat je hem al zeventig jaar niet hebt aangeraakt. Dat je zijn stem al zeventig jaar lang alleen maar in je hoofd hoort, als herinnering.

Mijn grote liefde is dood en iemand die dood is krijg je doorgaans niet terug. Ja, soms wel. In een kist. Maar in oorlogstijd was dat alleen als je geluk had, want veel mannen kwamen niet terug. Na de oorlog wachtten veel vrouwen tot ze een ons wogen, maar er kwam niemand. Mijn man ook niet. Maandenlang wachtte ik thuis, maar hij kwam niet. Ook niet toen Hendrik, van wie ik zwanger was toen Johannes weg ging, geboren werd.

Ik wist dat hij dood was en dat ik me dus niet schuldig hoefde te voelen als ik opnieuw verliefd zou worden. Maar ik wilde het niet. En als ik al wilde dan lukte het me niet. Ik hield zo veel van Johannes, dat ik nooit zoveel van iemand anders zou kunnen houden. Een nieuwe man verdiende dat niet.

Ik heb nooit een officiële brief gekregen dat hij was overleden, maar dat hoefde ook niet. Ik vóelde het. Ik stelde me voor dat zijn lichaam ergens in een massagraf lag, maar dat beeld was te gruwelijk. Ik zette het dus van me af. Jarenlang heb ik het beeld verdrongen.
Ik deed wat ik moest doen. Ik voedde Hendrik op en hij groeide uit tot een hardwerkende man, die samen met zijn Maria twee zoons kreeg. Hein en Martin. Hein lijkt op Johannes en is mijn lieveling.

Twee maanden geleden is Hendrik overleden. Hij had darmkanker. Sinds zijn dood dringt het beeld van mijn mans lichaam in een massagraf zich weer onvermijdelijk aan me op. En dat is precies waarom ik jaloers ben op mijn dementerende medebewoners. Vergetelheid zou de pijn doen sneuvelen. Net zoals de oorlog mijn man deed sneuvelen. Ik wil de pijn niet voelen, maar het lijkt te moeten. Ik heb het te lang weggestopt.

Ik ben oud en versleten. Ik wil niet meer. Ik ben moe. ik ben klaar. Het is mooi geweest.
Ik wil naar Johannes. Toch moet ik grinniken bij het beeld van een 90-jarige gerimpelde vrouw die in de hemel aanpapt met een twintiger die al zeventig jaar dood is. Dat verzacht de pijn een beetje. Ik kan gelukkig nog lachen.

Ja, lachen is goed. Lachen is fijn. Maar de jongere generatie maakt wel eens grapjes over de oorlog en dat begrijp ik niet. ‘Mijn opa wil zijn fiets terug’, is zo’n geintje. Hein en Martin maakten daar altijd ‘mijn oma’ van. Maar ik hoef mijn fiets niet terug. Nee, de fiets die me in de oorlog werd ontnomen, kan me gestolen worden.

Standaard