Paul de Leeuw

Een pot herfstthee

Weet je, Merel’ zei de 80-jarige vrouw, ‘volgens mij zijn we gewoon allemáál een beetje biseksueel. Alleen sommige mensen wat meer dan anderen.’
‘O ja?’ vroeg haar kleindochter, niet vertellend dat ze afgelopen weekend nog aan de borsten van haar beste vriendin had gezeten.
‘Ja’ zei haar oma. ‘En dat is helemaal niet erg.’

Het was de schuld van Merel’s moeder. Ze was na de scheiding een paar jaar alleen geweest, ze had gedatet (meer omdat het van haar verwacht werd dan omdat ze er echt zin in had) en toen was er plotseling Alice. Een vrouw. Merel´s moeder had het aan haar kinderen verteld tussen het avondeten en het toetje. ‘Hoe zouden jullie het vinden om er nog een moeder bij te krijgen?’ Arthur, nog maar twaalf, snapte niet wat ze bedoelde. Merel antwoordde: ‘We hebben dat wijf van papa al. Drie moeders is teveel.’

Merel’s oma schonk nog een kop thee in. Het was de speciale herfstthee, met kaneel en nog iets kruidigs, waar Merel zo van hield. Haar oma sloeg er in de herfst een voorraad van in zodat ze voor het hele jaar genoeg had.
‘We moeten gewoon blij zijn dat dit soort dingen kunnen, tegenwoordig’, ging oma verder. ‘Iedereen mag zijn wie hij wil.’
‘Niet iemands ouders’ zei Merel. ‘Die mogen alleen maar ouders zijn en niets anders.’

Merel was blij dat ze nog geen kinderen had. Ze kon op zaterdagavond gewoon zes sambuca achteroverslaan en haar tong in iemands mond steken, of het nu een man of vrouw was. Vrouwen zoenden beter, vond ze meestal. Hun tong was zachter. En hoewel ze geen pot was, echt niet, hield ze van het gevoel van borsten tegen de hare. Met de mannelijke aandacht zat het daarna ook altijd wel goed. Gelukkig was ze nog geen moeder.

‘Neem nu Paul de Leeuw’ zei oma. ‘Een witte homo met twee zwarte zoons. Dat zoiets kan! Geweldig toch?’
‘Geweldig, oma’ zei Merel.
‘Ik moet altijd zo lachen om die man.´
Oma lachte, alsof ze zich een grap herinnerde die Paul de Leeuw ooit had gemaakt. Merel roerde in haar thee. Oma vertelde de grap niet.

Natuurlijk bleek die Alice aardig te zijn, veel te aardig. Ze droeg geen leren jassen en haar haar stond niet piekerig omhoog. Merel hoefde haar geen ´mama´ te noemen; ze zoende Merel´s moeder niet waar ze bij was. Soms zag ze hen voor zich, samen. Maar zelfs dat idee wende.
‘Je gelijk, oma’ zei Merel. ‘Ik wou dat ik zo open-minded was als jij.’
Haar oma lachte niet meer. Merel wist het niet zeker, maar het leek alsof oma’s ogen iets natter waren dan eerder. Merel pakte haar hand. Toen slaakte oma een diepe zucht, en vroeg zachtjes: ‘Denk je dat ik haar verkeerd heb opgevoed?’

Standaard