Nasynchronisatie

Behandeling

Begin oktober. Ik weet niet precies welke dag het is, maar het is twee uur voordat ik mijn eerste pil moet nemen. Ik fantaseerde net over het beschieten van Mensje met verdoofpijltjes en mij is verteld dat ik dit soort ideeën dan in dit boekje moet opschrijven. Dat zou dan helpen bij het begrijpen van de gedachte en me weerhouden van het daadwerkelijk uitvoeren ervan.

Tenminste, ik neem aan dat het willen schieten op een kat een dergelijke gedachte is. Het is moeilijk om te bepalen wat de criteria zijn voor een waanidee, daar hebben jullie niks over verteld. Maar gezien de omstandigheden gaat het dus best wel goed. Alles is relatief.

Het is nu een paar uur – denk ik, ik weet het niet helemaal zeker, het zouden ook een paar minuten kunnen zijn – nadat ik mijn eerste pil had moeten nemen. Ik ga je een verhaal vertellen, boekje. Toen ik nog intern zat, zijn ze me na een tijdje Forrest gaan noemen. Het had te maken met een film, Forrest Gump. Ken je die film, boekje van me? Heb je die gezien? Kan jij kijken, boekje? Ik heb die film gezien, maar wel in het Duits. Dat was in een hotel in Zwitserland, waar ik heen had gelift. Zoals de doctoren je misschien wel verteld hebben, lief boekje, was ik niet zo lang in Zwitserland.
Ik verstond niks van die film, maar wat ik wel begreep is dat je kunt rennen, als je maar wil. Ho, wacht even. Ik krijg weer iets. Het was niet zo’n erge: ik wilde bijten in de billen van een Joods Zwitsers jongetje en ik hoorde krekels.

Het is nu weer bijna nacht en ik ben eigenlijk gek ook dat ik dit allemaal opschrijf. Voor hun. Jou neem ik niks kwalijk, boekje. Jij hebt mij niks misdaan. Toch? Of wel? Je zegt steeds niks terug.

Doet het eigenlijk pijn als ik in je schrijf? Ik druk best hard. Is het als een tatoeage? Geef eens antwoord!

Het is volgens mij ochtend en ik ben gegaan, boekje. Ik ben gaan rennen. Ik vond het geen gek idee, maar ik vind toch dat ik het je moet vertellen. En je bent mee, zoals je merkt. Ik kan je toch niet achterlaten, je bent alles wat ik heb. Ik hou van je, boekje. Hou jij van mij? Vind je mij lief? Je weet dat ik je goed behandel. Ik heb jou niks misdaan. Ik zal je nooit te buiten gaan.

Het is nu te laat. Ik hoor de krekels constant. Ik voel zwermen krekels om mijn hoofd, maar ik zie ze niet. Ze zoemen en krioelen. Ik krab, maar er gebeurt niks. Er verandert niks. Ik zie alleen mijn vader. De hele tijd mijn vader. Zijn handen, zijn wapens. Jij zou me toch helpen? Waarom schrijf je nou niks terug? Ik kan het niet meer tegenhouden. Ik ben op het strand. Help me nou. Ik zie een gezin. De man legt zijn spartelende zoon op zijn buik. Help. Ik zie zijn handen. Ik laat je nu los, ik leg je weg. Ik heb mijn handen nodig.

Standaard