Daklozenkrant

Aandraaien

Mijn eerste interview gaf ik aan de daklozenkrant van de stad waar ik toentertijd een kamer had. Een paar weken later kocht ik bij ingang van de Albert Heijn de gehele oplage van de editie met op pagina 3 een foto van mij met daarboven in grote letters de uitspraak “Er is zeker een reële kans aanwezig dat ik hét medicijn tegen aids vind” en gooide dat weekend de stapel in de open haard van mijn ouders.

Ik leerde Anne-Fleur kennen tijdens De Nacht van de Kunst & Wetenschap. We stonden bij een of andere ijzeren stellage dat volgens het kaartje de zin van het leven moest voorstellen. Ze lachte naar me en zei toen: ‘Was het leven maar een stuk staal en een paar bouten. Dan kon je gewoon wat dingen aandraaien als het even niet lekker loopt.’
Anne-Fleur woonde een paar straten verderop, in een studentenhuis waar het altijd feest leek te zijn en waar het elke dag een komen en gaan was van levenslustige leeftijdsgenoten. Ik was daar jaloers op, ik had enkel een zolderkamer in het huis van meneer en mevrouw Havinga, die elke avond na 10 uur de stroom eraf haalden zodat ze zeker wisten dat ze voldoende nachtrust voor de boeg hadden.
Het was dus meer dan vanzelfsprekend dat ik vaak bij Anne-Fleur was en daar ook bleef slapen.
Anne-Fleur studeerde iets waar ik nu de naam niet meer van weet, maar waar ik wel veel grappen over heb gemaakt. Het was een studie die je niet serieus kon nemen. Veel geneuzel en gefilosofeer in de ruimte. Vrijetijdskunde, zoiets. In ieder geval geen biomedische wetenschappen en zeker niet iets waar je een verschil mee kon maken in de wereld.
Het was dus ook meer dan vanzelfsprekend dat een van haar huisgenoten mij wou interviewen. Gerard was zijn naam, hij studeerde journalistiek en liep stage bij de plaatselijke daklozenkrant. Daar had ik ‘m in de gezamenlijke keuken tijdens het koken van weer een pan macaroni vaak mee gepest. Wat voor sukkel ben je als je niet eens een stage kan regelen bij een echte krant? De daklozenkrant, wat een lachertje. Dat is nog lager dan een huis-aan-huiskrant en die is gratis en leest al niemand, dus moet je nagaan.

In de gedeeltelijk paars geverfde kamer van Anne-Fleur vroeg Gerard mij naar de universiteit waar ik aan studeerde, mijn studiekeuze, mijn gewenste afstudeerrichting en mijn droombaan. Het zal toen ook geweest zijn dat hij op z’n blaadje die belachelijke quote over aids noteerde en de kop al voor zich zag. In de hoek van de kamer had Anne-Fleur meegeluisterd. Ze lag op haar bed dat net groot genoeg was voor twee personen, een twijfelaar. ‘He Geer, wanneer ga je eens echte vragen stellen?’ vroeg ze toen Gerard door z’n lijstje was. ‘Vragen over het leven en zo. Of dit het is.’
‘Of wat het is?’ vroeg ik.
‘Dit,’ antwoordde ze.
‘Dit…,’ herhaalde ik weifelend.
‘Ja,’ zei ze, ‘of dat er meer is.’
‘Er is altijd meer,’ zei Gerard. ‘Maar de vraag is of je het nodig hebt of dat het prima is dat je enkel wéét dat er meer is mocht je op een gegeven moment klaar zijn om meer willen.’
Ik gaapte en Anne-Fleur stond op van haar bed. Met haar rechterhand ging ze door haar lange haar.
‘Zo heb ik er nog nooit naar gekeken,’ zei ze. ‘Waarom hebben wij hier nooit eerder over gepraat, Gerard?’

Die avond vond ik op de tast mijn bed en zocht ik in het donker naar nieuwe antwoorden.

Standaard