Daklozenkrant

De officiële verkoper

Tot straks, Kasper,’ zei dichter Simon Wittebrood, die men onder meer kon kennen van bundels als Calamiteit op de Haarlemmerdijk of het iets minder verkochte doch danig succesvolle Witte Bonen, Wat Weten Jullie Nou.

‘Tot zo,’ zei de dakloze, ‘kwijlen met de traan open.’
De dichter deed structureel alsof hij de daklozenkrantenverkoper niet hoorde, maar intussen onthield hij alles. Het was niet voor niks dat hij acht keer per dag naar de supermarkt ging. Eigenlijk wist de dichter dat het te gek voor woorden was dat hij de teksten van deze man plagieerde. Hij schrok regelmatig wakker van het idee ooit ontmaskerd te worden. Dan overviel hem een paniek die hij niet kon controleren.
Als men erachter kwam dat hij geen enkele zin zelf had bedacht, was hij erbij. Dan had hij geen rubriek meer in een kwaliteitskrant, verloor hij zijn dagelijks poëzie-item op de radio. Sterker nog, dan was zijn vooraanstaande rol in de maatschappij ineens uitgespeeld. De auto die zijn imago is, die hij voor de buitenwereld helemaal zelf zo mooi en geduldig had opgeknapt, zou dan zo ingedeukt zijn dat hij onherstelbaar van de wegen verbannen zou worden. De gedichten met bijbehorende grote prijzen zouden van hem afgenomen worden en aan de dakloze man worden toegeschreven en -gewezen. En terecht, natuurlijk. Maar, dacht de dichter, misschien schrijf ik dan wel een boek over dit hele echec. Dan zit ik aan tafel bij Pauw of Tan, samen met een welkundig schrijver, een wél kundig schrijver, aan wie ik dan een hele desperate brief heb geschreven. Het dreef hem daarom nog niet tot totale waanzin, waardoor hij het maar voortzette. En bovendien, zover was het allemaal nog niet.

De dakloze had een dusdanige gave, dat velen die als een vloek zagen. Dat gebeurde vaker bij wat van het gemiddelde afwijkende personages aan deze kant van het land, maar hoogstwaarschijnlijk overal. Deftige dames gingen voor hem aan de kant met hun handtasjes stevig omklemd, pubers lachten hem uit. Alleen soortgelijken erkenden zijn talent. Soortgelijken met een vergelijkbare gave – sommige bedeeld, de meeste minder. Het deed de dakloze niets meer. Nu was het zijn lot, dacht hij. Zoals vele minderbedeelden in deze wereld, was hij een gelovig mens geworden. De gedachte dat al zijn onfortuin een reden had, dat iemand een plan voor hem had – dat iemand überhaupt aan hem dacht – hield hem op de been.

De dichter zat aan zijn dichttafel. Het was midden in de nacht, hij had de kaars aangestoken. Hij had geen aandrang gevoeld naar bed te gaan, daarvoor was de naderende dag te onberekenbaar. Hij had zijn dichtcolumn voor de krant uren geleden al ingestuurd. Vastberaden had hij zijn zinnen gezet, achter elkaar op het papier:

Ik speel immer
alleen
in de verdomhoek
met poppen,
ze dansen
af op de stompen van mijn boek.

Reken me in
Ik ben erbij
Tegen mijn zin
Byzantinisme
En zifterij

Dit is het eerste gedicht van Simon Wittebrood. Al mijn eerdere werk moet op het conto van Kasper, een daklozenkrantverkoper op de Haarlemmerdijk, worden bijgeschreven.

De volgende dag werd de dichter platgebeld door zijn uitgeverij, de redactie van de krant en een groot aantal journalisten. Maar geen enkel telefoontje nam hij op, hij had zijn lot aanvaard. Hij stond vanaf nu met een hesje aan voor de supermarkt.

Standaard