Verhaal #387 • Afgesproken thema: Daklozenkrant

Net poedersuiker

Mijn vader had zijn eigen dakloze. Niet die bij de Albert Heijn want die vond hij niet aardig, maar die bij de ingang van het grote winkelcentrum. Die had een woeste baard en hij praatte een beetje raar. ‘Goede-morgen, wilt oe een krantjee kopen?’ Soms deed mijn vader dat en dan praatten ze samen in het Engels. Daar verstond ik niet veel van dus dan keek ik altijd even in het krantje. Er was niet veel aan.

‘Staat er nog wat leuks in, Bink?’ vroeg mijn vader aan mij.
Ik keek naar een bladzijde waar een foto op stond van een grote berg wit poeder.
‘Ko-keh en ver-derf’ las ik voor.
‘Wat?’
‘Kijk, daar.’
Mijn vader pakte het krantje uit mijn hand. ‘O, coke en verderf.’
‘Wat?’
‘Dat is een woordspeling.’ Hij gaf de dakloze wat geld en zei: ‘Aju, vriend!’
Mijn vader en ik liepen naar de auto, de dakloze bleef staan bij de ingang van het winkelcentrum. Ik keek even achterom en zag dat hij de muntjes in zijn hand telde.
‘Waarom noem je hem vriend?’ vroeg ik aan mijn vader. Hij noemde zijn vrienden nooit ‘vriend’ maar gewoon Pim of Richard.
‘Ik weet zijn naam niet meer’ zei mijn vader. ‘Het was iets Russisch, Slava of Sasja ofzo.’
‘Is hij echt je vriend?’
‘Natuurlijk.’ Mijn vader pakte mijn hand. ‘Waarom niet?’
Toen we bij de auto waren, laadde mijn vader de spullen in de achterbak. We hadden een barbecue en een opblaaskrokodil gekocht.
‘Ik ga voorin!’ riep ik automatisch.
‘Natuurlijk ga jij voorin, gek.’ Mijn vader hield de deur al voor me open. ‘We zijn met zijn tweetjes!’
‘Alleen met de mannen!’ riep ik want dat zei mijn vader ook altijd.
Ik ging voorin zitten en mijn vader startte de motor. Mijn gordel deed ik niet om.
‘Papa’ vroeg ik. ‘Wat is coke?’
‘He?’
‘Dat witte spul. Uit het krantje.’
Ik zag dat mijn vader even twijfelde. Toen zette hij zijn ‘alleen met de mannen’-gezicht op en zei: ‘Coke is een wit poedertje. Sommige mensen vinden het heel lekker maar het is heel heel slecht voor ze.’
Ik dacht even na. ‘Is het een soort van poedersuiker?’
Mijn vader grijnsde. ‘Soort van. Maar dan voor grote mensen. En het is zó slecht voor je dat sommige mensen er zelfs dakloos van worden.’
Nu snapte ik er helemaal niets meer van. ‘Is het een soort hele gevaarlijke sneeuw?’ Ik zag een huis voor me dat helemaal bedolven werd onder de poedersneeuw, totdat het instortte.
Mijn vader lachte, zó hard dat hij voorover moest buigen en zijn neus bijna het stuur raakte.
‘Ja, zo noemen mensen het wel eens.’ Hij veegde een traan uit zijn ooghoek. ‘Maar geen gekkigheid.’ Hij keek even naar me, en toen snel weer naar de weg. ‘Dat soort spul moet je nooit gebruiken, Bink.’
‘Nee, ik wil toch geen dakloze worden?’ zei ik. Het leek me maar niets om de hele dag voor het winkelcentrum te moeten staan.
‘Precies’ zei mijn vader. ‘En niet tegen mama zeggen dat we het hierover gehad hebben, hè? Dat vindt ze vast weer niet goed.’
‘Hoezo niet?’
‘Omdat het niks voor kinderen is. Die daklozenkrant trouwens ook niet.’
‘Die vind ik toch stom.’
‘Zo mag ik het horen, vriend.’
‘Ben ik jouw vriend?’
Hij lachte. ‘Jij bent mijn zoon.’
Ik keek hem aan. ‘Alleen maar dat?’
‘Natuurlijk niet!’ Hij boog naar me doe en aaide me over mijn hoofd. ‘Je bent mijn beste vriend, Bink. Mijn aller- allerbeste vriend.’
Ik keek uit het raam. Ik geloofde dat hij het meende. Ik had alleen net met Mees uit mijn klas afgesproken dat hij mijn allerbeste vriend was. Dus dat kon ik niet terug zeggen.
‘Jij bent ook een vriend van mij, papa.’
‘Zo is dat’ zei mijn vader.
Ik dacht aan de daklozenkantverkoper met zijn warrige baard. Mijn vader was altijd gladgeschoren, behalve op zaterdagochtend wanneer ik voor het ontbijt bij hem en mama in bed mocht kruipen. Maar dan had hij alleen wat stoppels.
‘Wij zijn vrienden’ zei ik tegen mijn vader. Ik had hem wel door. ‘Maar jij en de dakloze niet.’



Wie is Mirjam Brouwer?

Met de dag wordt het waarschijnlijker dat u van Mirjam heeft gehoord. Ze scoorde de derde plek in de Opium verhalenwedstrijd én haalde de longlist van de Grote Lowlands Schrijfwedstrijd. Hoogste tijd voor de volgende stap in haar reeds imposante carrière: een vaste plek bij Het Genootschap. En hoewel wij eigenlijk niet op zoek waren naar een nieuwe collega, landde haar open sollicitatie tóch op vruchtbare grond. Omdat je voor sommige talenten gewoon plek moet maken. En omdat ze beloofde elke week een cake voor ons te bakken. Noemen wij in de schrijverswereld een klassieke win-win situatie, maar dat stukje vakjargon mag u meteen vergeten. Enfin, show don’t tell, Mirjam. (JE / HdK) Check de Verhalenfabriek van Mirjam →
Standard