Verhaal #383 • Afgesproken thema: Puntzak friet

De Trappen van Vergilius

En toen besefte ik: geluk zit hem in de kleine dingen,’ zei de kersverse weduwnaar en alleenstaand stiefvader tijdens zijn begrafenisrede.

‘Dat kleine ding van jou zeker,’ riep Jonathan, terwijl hij de man naast hem – een oudoom of een buurman, wat maakt het uit – iets te hard op zijn bovenbeen sloeg. Een verbaasd doch harmonieus ‘Oôh’ gonsde door het kerkgebouw, als was het een belichting van de Luthers georiënteerde geloofsopvatting die voornamelijk Duitse componisten in de loop der tijd in hun muziek hadden verwoord. Jonathan stond op, keek de zaal even rond en nam een diepe buiging alsof hij het koor dat het begrafenispubliek was geweest met verve had gedirigeerd. Hij keek naar Bram, die aan de andere kant naast hem zat. Die aarzelde even, maar ging uiteindelijk ook staan. Gebroederlijk liepen ze over het middenpad richting de narthex van de kerk. De minuten voordat de weduwnaar het woord had genomen, had een prachtig lied geklonken. Het was een ontzettend pathetische dienst, vond Jonathan. Hij hoorde nog net een vrouw fluisteren dat het juist voor hem zo lastig was.
Ze duwden allebei een van de twee houten kerkdeuren hard open en deden vervolgens hun stropdassen los. Jonathan deed het soepel, bij Bram ging het uiterst knullig. Ze streken neer op een terrasje van een nabijgelegen café.
‘Wat gaan we doen, Jo?’
‘Ik wil iets doen wat nog niemand heeft gedaan, broertje,’ zei Jonathan, vlak nadat hij de rook van zijn sigaret in de vorm van sterretjes had uitgeblazen.
En toen verscheen er een jongen met één been aan hun tafel, met rozen in zijn hand en een polaroid camera om zijn nek. Nadat de broers – voordat hen iets gevraagd was – zowel de bloem als een foto hadden geweigerd, lachte de jongen en vroeg hij hen of ze in het lot geloofden.
Ze bleven stil. Ze wisten het niet, zeiden ze.
‘Volg mij,’ zei hij. Ze knikten.
Hij ging hen voor, langzaam, maar vrolijk. Hij zong soms hardop en danste af en toe. Zo leidde hij ze door de straten van de stad. Ze liepen langs de kerk, een steegje door en staken dwars over het Plein van Alighieri. Ze volgden de jongen totdat ze bij de bronzen trappen van Vergilius aankwamen. In de onderste trede stond een tekst gegraveerd: SIC ITUR AD ASTRA. De jongen keek even om en glimlachte. De broers stonden vertwijfeld onderaan de steile trap. Naar boven klimmen had nog nooit iemand gedurfd. Ze keken toe hoe de jongen rustig, trede voor trede, naar boven hopte.
‘Dit is het,’ zei Jonathan.
Ze volgden. Aanvankelijk snel, maar hoe hoger ze kwamen, des te langzamer hun passen. Op het moment dat een donker bos aan hen verscheen en de trap niet over meer treden leek te beschikken, hoorden ze het zingen van de jongen ineens achter zich, steeds zachter wordend. Ze waren alleen. Op goed geluk dwaalden ze door het bos, ze konden amper iets zien. Op een gegeven moment hoorde Jonathan zijn broertje niet meer en hij was doodmoe. En net toen hij de weg terug had gevonden, kwam hij niet meer vooruit en verloor hij zijn evenwicht. Hij tuimelde de trap af en het werd lichter. Lichter in zijn hoofd, lichter om hem heen. En terwijl er maar geen einde kwam aan zijn val, dacht hij aan zijn moeder. Hij herinnerde zich hoe hij eens naakt was gaan zwemmen, maar toen hij uit het water kwam merkte dat zijn kleren waren gepikt door jongens uit de klas. Het enige wat hij kon doen om de gêne lichter te maken, was zijn geslachtsdeel in het lege puntzakje friet stoppen, dat voor hem op de grond lag. Een uitgebreid hoongelach viel hem ten deel. Hij zou het woedend huilende gezicht van zijn moeder nooit vergeten, toen ze zijn kleren uit de handen van de klootzakjes had gegrist en hem de auto in sleurde.

Jonathan voelt een natte hand in zijn gezicht. Hij schrikt op, haalt adem, schudt zijn hoofd en kijkt om zich heen. Hij ziet een lelijk schilderij van een ondergaande zon en een tafel met een koffiekan erop en papieren bekertjes ernaast. Het hoofd van Bram komt steeds dichterbij.
‘Jo, gaat het? Drink wat water. We gaan zo beginnen.’



Wie is Matthijs van Asselt?

Matthijs van Asselt is komiek, held en neus van beroep. Als hij zich niet afvraagt hoeveel vorken er in de wereld zijn, dan berijdt hij wel een groene tractor of geeft hij zomaar grasmaaiers weg via Facebook. Dat absurdisme typeert de schrijver Matthijs van Asselt waarbij niet alles lijkt zoals het is en zeker niet alles is zoals het lijkt en als het wel lijkt zoals het is, dan moet je er vooral niks anders achter zoeken, want het kan niet altijd raak zijn. Desondanks is Matthijs de absolute publiekslieveling van Het Schrijversgenootschap zoals Dirk Kuyt dat ooit bij Liverpool was. (JE / HdK) Volg Matthijs op Twitter →
Standard