Belofte

Onderbrekingen van sluimerende middelmatigheid

Ze kenden elkaar nog niet voordat hij zijn volledige halve liter gin-tonic over de bar van Café de Klapper had gegooid. Zij had er vanaf gepaste afstand naar gekeken. Haar schoenen werden net niet nat van het geklater. Hij werd eruit gezet, zij ging roken.

Buiten praatten ze voor het eerst.
‘Waarom gooi jij in godsnaam een halve liter gin-tonic over de bar, als ik vragen mag?’
‘Gewoon. Had ik zin in. Ik kon er niet meer tegen.’
Het meisje nam een haal van haar sigaret, zo een die rust en macht uitstraalde. Zo’n diepe inhalering, waarmee ze leek aan te willen geven dat ze nadacht over wat ze ging zeggen. Alsof dit een vooropgezet gesprek was, dat volledig uitgedacht was.
‘Waartegen?’ zei ze.
‘Het constante, sluimerende gevoel van middelmatigheid. Niks is extreem, alles is saai. En als iets extreem lijkt te worden, dan relativeer ik. Daar kan ik niet meer tegen.’
‘Dus dan doe je dat. Mooi is dat,’ zei het rokende meisje.
‘Ik sta hier elke vrijdag. Altijd beloven mijn vrienden dat het een legendarische avond wordt, maar het is elke keer hetzelfde. Dezelfde mensen, dezelfde grappen, dezelfde irritante fotopaki’s. Ik kan het niet meer.’
‘En ik dan? Mij heb je hier nog nooit gezien.’
Hij was haar inderdaad nog nooit tegengekomen. Hij vroeg naar haar naam, maar ze negeerde zijn vraag.
‘Kom met mij mee, ik beloof je dat het een onvergetelijke nacht wordt.’
Ze schoot haar sigaret weg en liep richting haar fiets. Hij pakte de zijne en samen gingen ze ervandoor.

Hij had geen idee waar hij was. Hij had het gevoel dagen achtereen geslapen te hebben. Hij probeerde te bewegen, maar het ging moeizaam. Zijn hoofd voelde alsof het een kerkklok was, die als hij bewoog een immens lawaai teweegbracht. Hij keek om zich heen en zag vooral zijn lijf, dat op een boxershort na volledig onbedekt was. Zijn ogen functioneerden nog niet zo goed. Hij voelde aan zijn kruis. Het zat er allemaal in ieder geval nog aan.
‘Ha, je bent wakker,’ hoorde hij. Het leek van ver te komen.
Hij keek omhoog. Ze zat op een zolder, er zaten twee trappen tussen hen. Ze zat naakt op een stapel kussens op pallets die als bank fungeerden met een boek in haar handen. Toen hij haar zag, herinnerde hij zich de fietstocht van hopelijk gister- en niet een eerdere avond. Langs grachten, door steegjes en over bruggen. Iets te roken, nog wat drinken. Gin-tonics.
Hij kwam overeind, deed zijn broek en shirt aan.
‘Wat lees je?’ zei hij, maar vroeg zich onmiddellijk af waarom. Alsof er geen belangrijkere vragen waren op dit moment.
‘Korte verhalen van Carver,’ antwoordde ze, zonder haar blik van de letters af te wenden. ‘Deze heet A Small, Good Thing.’
‘Hebben we..’ hij maakte de zin niet af, maar niet omdat hij te preuts was om uit te spreken wat hij bedoelde. Ze onderbrak hem.
‘Sssst,’ zei ze met een vinger voor haar lippen, ‘heel even.’
Kort erna keek ze voor het eerst op, en leunde over de rand van de zolder.
‘Luister dan.’ Ze las voor. ‘They talked on into the early morning, the high pale cast of light in the windows, and they did not think of leaving. Einde.’
Met een klap deed ze het boek dicht.
‘Wil je het lenen? En het antwoord is ja.’ Ze gooide het boek naar beneden, met haar hoofd maakte ze een beweging naar de deur.
‘Ja? Ik geef het je snel terug, dat beloof ik je.’

Standaard