Tussenjas

Een meisje laat je niet wachten

Om nou te zeggen dat-ie veel te laat was, nou nee. Een minuutje of vijf nu. Maar het was genoeg om Marten de eerste paar kilometers van dat klote eind te laten stampen op de pedalen. Hardop vervloekte hij de wisselende weersvoorspellingen en het te snel gaan van de tijd. Een meisje laat je niet wachten.

Ondertussen zat zij droog in Café Het Spoor. Ze had alvast iets besteld en veegde over het telefoonscherm. Ze had een paar vriendinnen berichtjes gestuurd, maar niemand had nog gereageerd. Het was nog vroeg.
Hij stond voor een open brug.
Zij bedankte de bediening voor het brengen van haar kop thee.

Echt op gang was Amsterdam deze zaterdagochtend nog niet gekomen. Er reden wat trams, er liepen wat toeristen, maar voor de rest voelde het nog een beetje dorps aan. Het beviel Marten wel, deze rust. Het deed ‘m denken aan vroeger en heel af en toe speelde hij ook met het idee hoe het zou zijn als hij terug naar de provincie zou verhuizen. Van een beetje minder haast is nog nooit iemand overleden.
Wachtend voor het verkeerslicht oefende hij z’n openingsgrap. Binnensmonds zei hij de zin “Hallo, kom je hier vaker” een paar keer, al schuivend met de klemtoon. Ja, hij moest het van zijn humor hebben.
Langzaam dronk ze van haar thee. Het was geen bijzonder café waar ze hadden afgesproken, maar het zat wel dicht bij het Centraal Station en omdat ze niet in Amsterdam woonde leek het haar een goede optie. Hoe dan ook, het wachten begon nu wel een beetje vervelend te worden.

“Fuck, fuck fuck,” riep hij hard ter hoogte van het Vondelpark. Bij het aanzetten om een paar slingerende toeristen in te halen, was zijn ketting eraf gevlogen. “Dat kan er ook nog wel bij,” schreeuwde hij en met een vloeiende beweging draaide hij de fiets om en kwakte ‘m neer op de stoep. Het gefriemel begon.
Een vriendin reageerde: “En? Is-ie er al?” Ze stuurde terug dat hij inmiddels al ruim twintig minuten te laat was. Een smiley kon er niet af. Een meisje laat je niet wachten.
Zijn handen werden steeds viezer en de ketting een steeds grotere vijand. Een vloek ontsnapte. Als het op klussen aan kwam had hij twee linkerhanden aan elke hand, maar kom op, een fietsketting er weer opleggen zou toch wel moeten lukken?
Een half uur. Nog een kop thee doen? Waarom had ze nou niet een boek meegenomen? Wat een slecht idee was dit.
Gelukt. Tevreden gaf hij een slinger aan de trapper. Als een zonnetje. Hij draaide de fiets weer om en zag toen pas zijn zwarte handen. Er zat niks anders op dan ze af te vegen aan de tussenjas waar hij vanochtend zo lang over getwijfeld had.
Aan de andere kant van Amsterdam vertrok een trein naar Utrecht. Zijn berichtje kwam te laat.

Standaard