Tussenjas

Een Van De Domste Dagen Ooit

Ik volgde de discussie tussen een moeder en haar zoon in de rij voor de pasruimte van de Hennes & Mauritz met groot genoegen. Het was alsof God mij zijn gouden staf toereikte, terwijl ik wachtte voor de gordijntjes van de hel.
Voor de goede orde: ik was hier weliswaar vrijwillig, maar niet voor mijzelf. Ik zat te wachten tot mijn vrouw naar buiten zou komen om mij vier witte, weinig van elkaar verschillende broeken te tonen. Twee linnen, twee spijker. Even ervoor had zij een plastieken kaartje met daarop het cijfer 6 ontvangen, wat betekende dat zij nog twee kledingsstukken bij zich droeg in het pashokje. Er werd haar door een geenszins chagrijnige maar ook niet bijzonder vriendelijke medewerkster van het modeketen medegedeeld dat dit tevens de limiet was, waardoor mijn vrouw de overige vier kledingsstukken waaronder overigens twee bikini’s waar ik het meest tegenop zag, even aan een rek moest hangen en dus werd het passen over meerdere etappes verspreid. Ik sloot niet uit dat dit een van de domste dagen van mijn leven was. Het kon dus geen verrassing heten dat ik het gesprek tussen moeder en haar gezette telg als een geschenk van hoger hand beschouwde. Het was prettig hoe ik steeds meer leerde over het leven van de twee. Allereerst begreep ik dat ze hier waren voor het uitbreiden van zijn en niet haar garderobe, want hij stond met twee herenjassen met prijskaartjes eraan over zijn arm gedrapeerd en zij met lege handen te wachten.
Ik hoorde de vrij stereotypische moederfiguur zeggen dat Jasper één jas per seizoen moest hebben. Jasper zelf vond dat maar onzin. Hij had één jas, zei hij. Als het koud was, deed hij hem aan. Als het warm was, deed hij hem niet aan. Het klonk mij logisch in de oren en ik besloot voor hem te zijn in deze discussie. Vurig hoopte ik tegelijkertijd dat hij per direct de brui zou geven aan dit ontzettend sneue tafereel alsook dat dit schouw- en soms hoorspel nooit op zou houden. Hij ging met dringende maar zachte stem, zich waarschijnlijk bewust van de ruimte, de discussie aan. En nee, hij was niet per se naïef, legde hij zijn moeder uit. Hij besefte heus wel dat er tussenmomenten bestonden. Het kon, bijvoorbeeld als hij ’s ochtends naar zijn werk ging, nogal fris zijn terwijl het in de loop van de dag warmer zou worden. Dan zou hij op de terugweg zijn jas niet aan hoeven te doen. Hij zag dat niet als een probleem. Je kon een jas toch makkelijk in je tas of onder je snelbinders doen, merkte hij naar mijn mening terecht op. Verontrustender was dat hij klaarblijkelijk een baan had, waarmee hij dus hoogstwaarschijnlijk een inkomen verdiende, iets wat een aantal vragen bij mij opriep. Hoe oud was hij? Woonde hij in één huis met zijn moeder? En als hij werk had, ervan uitgaande dat het hebben van zijn baan gepaard ging met een inkomen, waarom liet hij zijn moeder dan beslissen over zijn kleding, of in ieder geval over zijn jas, ongeacht waar zij beide woonachtig waren? Waarom waren ze hier überhaupt aanwezig? Even dacht ik aan een daadwerkelijke ingreep van Godser aard, puur om mij te voorzien van amusement terwijl ik wachtte op mijn aanpassende vrouw. Die gedachte ging vervolgens over in een angstig, Truman Showachtig visioen waarin ik het centrum van een overduidelijk horribel universum was, maar dat verdween toen Jasper weer begon te praten. Wat hij zei herinner ik mij niet exact, maar het allerbelangrijkste was dat hij zijn zin eindigde met het woord ‘liefje’. Ik viel om. Liefje? Ik was er gemakshalve vanuit gegaan dat hij met zijn moeder op pad was, maar toegegeven: er was met geen woord over gerept. Ik schoot in de lach, precies op het moment dat mijn vrouw haar gordijntje opzijschoof en naar buiten kwam. Ik bekeek haar en niet de witte broek om haar benen. Ze zou nooit voor mijn moeder aangezien kunnen worden. Toen ik zei dat zij een geschenk uit de hemel was en dat ik het meende, zei ze dat ik niet zo dom moest doen.

Standaard