Als Pasen en Pinksteren op één dag vallen

Nooit kinderen gehad

De oude man zat in een schommelstoel naast de open haard. Het jongetje had alleen bij hem aangebeld omdat zijn bal in zijn tuin was beland, maar zat nu met een dikke plak kandijkoek in zijn hand naar de verhalen van een veteraan te luisteren. Het ging over de eerste ontmoeting met zijn vrouw.

‘En toen zei ze: ‘Ik ga naar huis. En de meningen van jullie soldaatjes kan me geen moer schelen.’ Ze deed eerst nog een beetje moeilijk.’
Hij ging verder, terwijl een roodharige kat aan de buitenkant van de achterdeur krabbelde. Met een wandelstok liep hij erheen om de deur te openen, terwijl hij zijn verhaal alleen even onderbrak om ‘Kom dan, Keesje, kom dan’ te zeggen.
‘Omdat het Pasen was, was er een staakt-het-vuren afgeroepen. Weet je wat dat is? Een heel weekend geen oorlog. Toen zijn we naar een café gegaan en hebben het er van genomen. Wil je misschien een ijslolly?’
Het jongetje knikte. De man bukte om de la van de vriezer open te doen, maar zijn stok gleed weg en hij ging onderuit. De jongen rende naar hem toe. ‘Gaat het, meneer? Heeft u zich bezeerd?’
De man kreunde en kwam rustig overeind.
‘Mijn rug, mijn rug,’ mompelde hij, terwijl hij goed keek naar hoe het jongetje op hem reageerde.
‘Breng me maar naar de slaapkamer.’

Het jongetje ondersteunde de man, terwijl die op eigen kracht de trap op ging. Met een arm om zijn gast heen geslagen vertelde de man verder.
‘Het kon me niets schelen dat ze Duits was. Met de motorfiets van de postbode ben ik achter haar aangegaan en bracht die nacht stiekem met haar door, terwijl haar ouders sliepen.’
Ze waren nu bovenaan de trap en de man wees met zijn stok achter welke deur hun bestemming lag. De man vertelde verder.
‘Ze is na de oorlog meegegaan naar Nederland. We zijn nooit verhuisd. Helaas zijn we altijd met zijn tweeën gebleven. Ze was meer een kattenmens.’
Zijn vrouw was nu vijf jaar overleden, maar hij had een paar maanden geleden pas haar spullen het huis kunnen doen. Hij was sindsdien ontzettend eenzaam, zei hij.

Ze stonden samen naast het bed, toen de man beneden een geluid hoorde. Even hield hij zijn adem in. Daarna klonk het geruststellende geluid van vertrouwd getrippel op de trap.
‘Keesje is de enige die me snapt. En ik hem. Hè, Keesje?’
De kat stond in de opening van de slaapkamer en krabbelde aan de deurpost.
Het jongetje knikte begripvol. Zelf had hij een cavia, die vertelde hij al zijn geheimen.
De man had zijn overhemd uitgedaan en zat op de rand van het bed.
‘Volgens mij heb ik ook mijn knie bezeerd. Wil je even kijken?’
Ja, hoor, zei het jongetje. Geen probleem. Hij had zelf ook weleens een schaafwond op zijn knie gehad, dus hij wist hoe vervelend het kon zijn.
‘Ik wou dat je mijn zoon was,’ zei de man, terwijl het jongetje zijn broek naar beneden stroopte. De man keek neer op de bovenkant van het jonge hoofd. Hij herinnerde zich dat zijn vrouw vertelde hoe katten de band met hun jongen vaststellen. Toen begon de man gretig de kruin van de jongen te likken, in de hoop dat hij voor altijd bij hem zou blijven.

Standaard