Moeders

Lappenpop

Ik denk niet echt. Ik lig gewoon wat. Het plafond is wit. De muren ook. Maar anders. Crèmig, of zo. Er staat een televisie voor m’n bed. Hij staat op Nederland 1. Er is geen afstandsbediening. Er is niks op, want het is zondag en zeven uur ’s ochtends. Ze laten klassieke muziek horen. En op het beeld is tekst. M’n keel doet zeer.

Hallo Thomas.’
‘Hoi.’
‘Hoe is het jongen?’
‘Mmm.’
M’n moeder doet de tv uit, geeft me wat water te drinken, doet m’n haar netjes en gaat naast me zitten op de stoel. Ze pakt m’n hand vast. Ik hou haar vast. Ze mag hier niet meer weg. Ik kijk naar het plafond. Het is wit.
‘Heb je wat geslapen?’
‘Mmja.’
Het blijft lang stil in de kamer. Op het gepiep na dan. Mama vertelt na een tijdje over het eten dat ze gisteren hebben gekregen van vrienden. Dat het lekker was. Dat ze er leuke grappen over maakten. Dat ze het recept gaat vragen, want ik moet het ook echt proeven. Ik glimlach. Ik geniet van haar verhalen. Ze vertelt ook over haar fietstocht hierheen. Dat het steeds sneller gaat. De heuvel kost steeds minder moeite.
Even later komt de zuster binnen. Ze vertelt vrolijk aan mijn moeder hoe het met mij gaat. Het gaat goed, schijnt. Ik heb keelpijn en als ik beweeg ook buikpijn.
‘Thomas, we gaan je even een tijdje laten zitten, ok?’
‘Zitten?’
‘Ja.’
‘Kan ik dat wel?’
‘We doen het niet lang hoor. Een kwartiertje. Dat is goed voor je.’
Ik durf niet. Maar m’n moeder vind dat ik het gewoon moet doen. Dat is goed voor me. Samen helpen ze me uit bed. Er zitten allemaal draden aan mijn borst en polsen. Ingewikkeld. Het blauwe ziekenhuisshirt blijft ook haken. Ik ben een grote lappenpop.
Ik val bijna weer achterover als ze me overeind hebben. Dan moet ik gaan staan. Ik ben een lappenpop met benen van lucifers. Ik waggel tussen twee moeders naar de stoel. Ik word neergezet. Ik kijk vol verwondering om mij heen. Ik zit. Tjonge. De vloer is blauw.
‘Ok, Thomas, je blijft hier een kwartier zitten. En het is belangrijk dat je je hoofd omhoog houdt.’
De zuster vertrekt. Mijn moeder heeft een andere stoel gevonden. Ze zit tegenover me en leest een tijdschrift. Ik kijk wat om me heen. Er staan veel apparaten. Ze piepen. De vloer is blauw.
‘Thomas, hoofd omhoog.’
Ik beweeg langzaam mijn hoofd weer omhoog. M’n moeder glimlacht naar me. Ze wijst achter me. Dat daar van die mooie bomen staan. Het is herfst, dus ze verkleuren. Ik probeer om te kijken, maar het lukt niet. Dat doet zeer. M’n moeder zegt dat ze het zo wel laat zien, als ik weer in bed ga. Ze glimlacht weer. Ik glimlach terug. Ze leest weer verder. De vloer is blauw.
‘Thomas, hoofd omhoog.’
Oh ja. Ik kijk weer op. Ik denk niet echt aan iets. Ik zit gewoon wat. De muren zijn crèmig. Er hangen kaarten. Ik vertel het aan mijn moeder, dat er veel kaarten zijn. Ze zegt dat er nog veel meer thuis zijn. Dat er al wel bijna 100 kaarten zijn. En van oma zijn er al 10. Die stuurt er elke dag eentje, vaak twee. Ik vraag wat voor dag het is. Het is maandag. Grappig, denk ik. Ik ging op dinsdag het ziekenhuis in. En nu is het maandag. Maandag. Dat zijn veel dagen.

Standaard