Bouwmarkt

Witloftaart

Amsterdam Noord, vroeg in de ochtend. Egbert ligt in zijn bed, zijn ogen heeft hij al even open gehad. Hij voelt zich suf, alsof de verwarming vannacht aan is blijven staan. Te benieuwd naar hoe lang nog voor de wekker gaat, duwt hij zich op zijn zij en tast naar het nachtkastje. Hij doet zijn bril op, pakt zijn telefoon. Daarop ziet hij hoe laat het is.
En de datum.
Hij laat zich naar achteren vallen, zijn hoofd landt op twee kussens op elkaar. Buiten hoort hij de wind en de rateltikker van een stoplicht. Hij doet zijn ogen dicht. Knijpt. Hij wil het niet, toch gaan zijn gedachten naar de eerste verjaardag die hij met haar vierde.
Hij ziet zichzelf. Lopend, vanaf zijn huis naar haar flat. Hij belt aan. Hij duwt met een hand tegen de deur, net nadat het zoemgeluid gestopt is. Moeizaam buigt hij naar achteren, om opnieuw de bel naast nummer 117 in te drukken.
‘Is ie open?’ hoort hij haar weer zeggen.
‘Nee, anders bel ik toch niet nog een keer?’ Hij zegt het hardop met zichzelf mee.
Het signaal voor het openen van de deur klinkt opnieuw. Nu gaat het goed.
In de hal van de flat twijfelt hij tussen de trap en de lift. Hij drukt op het knopje, het lampje gaat branden. Maar het duurt te lang. Hij gaat lopen, terwijl hij de taart in balans houdt.
Oh ja, die taart. Hij glimlacht, maar houdt zijn ogen dicht.
Zijn moeder had een witloftaart voor hem gebakken, om mee te nemen. Hij ziet zichzelf de trappen oplopen, de taart op de palm van zijn linkerhand. Hij heeft een rugtas om, met daarin een boek en een trui, maar het gaat eigenlijk alleen om de schone onderbroek die onderin zit. Hij hoopt dat hij kan blijven slapen.

Verder gaat het niet, de herinnering aan de eerste keer dat hij haar zag dringt zich op. Hij had de stap gezet om verf te gaan kopen, nadat hij jaren geleden had geconstateerd dat zijn huis in de Sneeuwbalstraat nodig geverfd moest worden. Hij was met de auto naar de Klaprozenweg gegaan; daar zaten bouwbedrijven. Vier om precies te zijn, nog geen 400 meter van elkaar. Hij koos voor de Gamma. Er naar binnen gaan voelde als een berg opwandelen. Hij wist dat hij eroverheen moest, dat daarna een fijn moment zou komen. Een punt van rust, of lunch, en altijd een uitzicht. Momenten om foto’s te maken.
Binnen, aan de rand van een wand vol mogelijkheden, stond hij naast haar. Hij vroeg wat zij een goede kleur voor zijn slaapkamer vond. Hij was oprecht, wist het zelf echt niet. Jaren later leerde hij dat het als een belegen versierpoging had geklonken. Ze vond hem aandoenlijk, toen. Ze bleken vlakbij elkaar te wonen. Zij was lopend, hij bracht haar naar huis. Hij ziet zichzelf, weer.

Hij doet zijn ogen open, kijkt naar de afgebladderde muur. De wekker gaat, half acht. Hij pakt het kussen dat zo lang het hare was stevig vast, en gunt zichzelf nog heel even. Toch ziet hij zichzelf wel een witloftaart bakken vandaag.

Standaard