Te land, ter zee en in de lucht

De snelste tijd

In het donker kijk ik naar seizoen zes, aflevering acht. Ik weet hoe het afloopt (de man met allemaal frituurpannen op z’n fiets pakt de snelste tijd), maar toch heb ik ook dit jaar de videoband er weer ingestopt.
Boven slaapt ze.
Het spektakel vond plaats in Zwolle. Ik woonde er nog maar net, de snelste route naar de Hogeschool had ik nog niet gevonden. Het was nog niet mijn stad. Samen met huisgenoot Erik ging ik die middag naar de kade. Het idee was om in de komende tijd mijn gezicht bij zoveel mogelijk stadsfeesten te laten zien en zo nieuwe mensen te leren kennen. Ik hunkerde naar een vriendengroep. Een groepje gelijkgezinden waarover ik in het weekend trots zou kunnen vertellen tegen mijn moeder terwijl ze de vuile kleren van de weekendtas overhevelde naar de wasmachine. Verhalen die zouden eindigen met zinnen als “dat is dus echt typisch Arie, die kerel is zo gek als een deur, maar wat hebben we ontzettend gelachen”.
Beelden van het publiek op het televisiescherm. Ik zet de videorecorder op pauze en buig naar het scherm. Het beeld is korrelig, mijn verleden is niet in HD. De grote kerktoren op de achtergrond is het duidelijkst te herkennen en met een beetje kennis van zaken kun je zien dat het Zwolle is. Toch weet ik precies waar ik moet kijken. Rechtsonder op het scherm. Ze zit daar op de kade. Een wazig poppetje met blond haar. Benen bungelen over de rand. Ze wijst naar iets in het water.
Erik had een brommer, een oude Puch. ‘Pas op voor de uitlaat, die wordt gauw heet,’ zei hij toen ik achterop stapte. Via vrienden van mijn ouders was ik bij hem in het studentenhuis gekomen. Het was een beste een aardige gast, maar vrienden zijn we nooit geworden. Toch dronken we regelmatig een biertje in de gemeenschappelijke keuken of in de altijd oerwoud zijnde tuin. Omdat hij er was, ik er was en we nog alle tijd van de wereld hadden. Acht jaar deed hij over zijn studie.
Ze staat ineens naast me. Haar blote voeten op het parket. ‘Het begint volgens mij onderhand een traditie te worden,’ zegt ze. ‘Elk jaar zit je de nacht voor onze trouwdag deze oude videoband te bekijken in het donker. Wat is dat toch?’
Ik sta op en loop naar haar toe. Geef een zoen en zeg: ‘Ik ben een rare. Krijgt je vader alsnog gelijk.’
‘Kom, gaan ook slapen,’ zegt ze en rustig wandelt ze naar de gangdeur.
Net voordat ik de televisie uitdruk kijk ik nog eens naar het groezelige beeld van Zwolle in de jaren negentig. Het meisje zit nog altijd rechtsonder. Iets achter haar staan twee onzekere jongens, de een zeventien, de ander een paar jaar ouder. Volgens Erik had ik haar moeten aanspreken, maar ik had het lef niet. Op avonden als deze vraag ik mij af wat er van haar is terechtgekomen.

Standaard