Poldermodel

Over bruggen

Ooit was de auto van mijn ouders de enige manier om bij mijn oma in Almere te komen.

Ik herinner me mijn moeders vraag, elke keer op hetzelfde punt, vlak voor we de snelweg op konden. Gaan we door de polder? Het maakte mijn vader niet uit. Mij en mijn zusjes wel, want als we door de polder gingen, kwamen we altijd langs een restaurant bij Barneveld met een enorm ei voor de deur. We stopten en aten er nooit, maar dat was niet erg. Iets daarvoor zat een McDonalds, vlakbij wegrestaurant de Goudreinet, maar die kregen allebei geen enkele aandacht. Het ging om dat enorme ei en het was altijd een spel wie hem als eerste had gezien. Soms zag ik hem, maar liet dan een van mijn zusjes winnen. Daarna vroeg altijd wel iemand of we een ijsje van het tankstation mochten. Nee, nee. We zijn er zo, nog even stilzitten.

Nu spelen we dat spel niet meer en zijn er veel meer manieren om bij mijn oma te komen. Desondanks ging ik juist steeds minder vaak. Wel wist ik de vorige keer nog goed. Toen had ze me ontroerd, door te zeggen dat ze begreep dat ik niet zo vaak kwam, maar dat ik wel echt moest komen zodra ik een vriendinnetje kreeg. Afgesproken? Afgesproken. Mijn moeder spoort me regelmatig aan. Je woont nu in Amsterdam, je bent er toch zo? Ja, mama. Ja. En toch komt het er nooit van. Waar ligt het aan? Aan dat ik lui ben? Dat ik niks heb om te vertellen? Ligt het aan de band met mijn oma? Aan mijn familie? Aan hoe we zijn? Aan alles? Wie weet. Het doet er voor even niet toe, want morgen ga ik eindelijk die kant op.

Vanuit Amsterdam West fiets ik als je op de kaart zou kijken recht naar beneden, over de Hoofdweg. Voor het stoplicht bij de kruising met de Postjesweg ruikt het naar hoe ik me voorstel dat de ideale multiculturele samenleving ruikt. Het komt door de bakkerij Simit Paleis. Een geurmengsel van puddingbroodjes, baklava en döner kebab vergezelt het verkeer op het kruispunt. Ik moet denken aan de geur van de tomatensoep die mijn oma vroeger altijd maakte, de lekkerste soep die er ooit heeft bestaan. Dan kijk ik op de klok die boven de bushalte hangt. Tien voor half elf.
Voor me zit een grote, ronde fietsbel in de weg verwerkt. Ik vraag me af of die daar expres zo voor de helft in het asfalt zit. Of dat hij daar gewoon zo gekomen is, met de jaren. Alleen door daar te liggen, vergroeid met het steen.
Als het groen wordt, fiets ik door en verderop lach ik om de driedubbelzinnigheid van het bedrijfsbord van Kapper H. Bakker Autoverhuur. Bij de rotonde op het Surinameplein ga ik richting de Overtoom en Amstelveenseweg. De brug, waarvan de onderkant gesponsord is, staat open en ik voel dat ik alleen nog maar koffie op heb vandaag.
Vlakbij het Haarlemmermeerstation bel ik bij de reden van deze reis aan en als ik op de kerkklok kijk, is het weer – of nog steeds – tien voor half elf. In ieder geval een van de klokken staat niet goed, maar ik heb het gevoel dat de wereld even heeft stilgestaan. Met haar achterop fiets ik naar Zuid.

In de trein denk ik aan de boottochtjes in Friesland, toen mijn opa er nog was. Mijn zusjes in badpakken voorin de boot, ik mocht af en toe sturen. Bukkend onder de bruggetjes door, waar geen enkel sponsorwoord op stond. Ondertussen heb ik niet door dat ik de melodie van de Zuiderzeeballade fluit.
De sprinter tilt ons over de brug die het Gooi- van het IJmeer scheidt en ik zit krampachtig in mijn stoel. Ik moet plassen en dat kan niet in dit soort treinen. Ik voel me een jongetje.
‘We zijn er zo,’ zegt ze met een knipoog. ‘Nog even stilzitten.’

We stappen het verzorgingstehuis binnen. Het ruikt er naar hele matige kippensoep. Dat is ook het eerste wat ik tegen mijn oma zeg, nadat ik haar vertel dat ik haar heel graag aan iemand wil voorstellen.

Standaard