Poldermodel

De schoonheid van Flevoland

Ja, en ík vind dat we helemaal geen logeerkamer nodig hebben.’
Ik zie dat ze mijn toon niet leuk vind. Dat ik te hard ben omdat ik nu haar eigen toon tegen haar gebruik. Zo werken vrouwen: alles is toegestaan, tenzij je het tegen hen gebruikt. En dat ga ik nu ondervinden. Let maar op.
‘Waarom moet het bij jou áltijd gaan om wat jij vindt? We zijn getrouwd ja, dan gaat het over wat wij vinden.’
Deze is makkelijk.
‘En dat geldt dan zeker niet voor jou?’
‘Je begrijpt er weer helemaal niks van hè! Het gaat er ook niet om wat ik vind, het gaat er om wat we nodig hebben!’
Oh. Het is blijkbaar ingewikkelder.
‘Maar ik vind dat we helemaal geen logeerkamer nodig hebben.’
‘Zie je, daar ga je weer.’
‘Maar…’
Ik zwijg en kijk naar het prachtige schaalmodel van Flevoland dat ik in dik drie jaar heb gebouwd. Je kunt er alles op zien, van Almere Muziekwijk tot de weilanden rondom Urk en van de ijsbaan in Dronten tot het Erkemederstrand bij Zeewolde. En dat in een ruimte van krap 25 vierkante meter.
‘Maar wie gaan er dan logeren? Al onze vrienden wonen in de buurt!’
‘M’n ouders.’
‘Je ouders?’
‘Ja.’
‘Die zijn hier in veertien jaar nog nooit geweest.’
‘Daarom.’
Ik kijk haar aan. Ze kijkt kwaad terug.
‘Dus als we een logeerkamer hebben komen ze opeens wel?’
‘Heb je een hekel aan mijn ouders?’
‘Nee, natuurlijk niet. Ik vraag me gewoon af of ze niet eerst een middagje langs kunnen komen in plaats van direct te blijven logeren. Ze zijn nog nooit geweest hè. Nog nooit!’
‘Kijk, als je het niet wilt moet je het ook gewoon zeggen.’
Wát?
‘Maar dat zei ik toch ook?’
Ze draait zich om en slaat de deur achter zich dicht. Ik draai me ook om, naar mijn grote liefde. Weinig mensen zien de schoonheid van Flevoland. Ze zien alleen het centrum van Lelystad of het station van Almere – ik geef toe: geen pareltjes. Verder kijken lukt ze niet. Ze zien de geschiedenis van het polderen niet, of de kilometers aan prachtige landbouwgrond. Mijn vrouw is één van hen. Ze begrijpt niet wat ik in Flevoland zie. Daarom wonen we ook in Harderwijk. Zo heb ik mijn polder in de buurt en kan zij tegen haar vriendinnen zeggen dat ze in Gelderland woont. Alsof dat zo’n feest is.
‘Sorry?’
Ze staat weer in de kamer.
‘Huh?’
‘Je zei dat iets geen feest is.’
‘Oh, nee, niks.’
‘Harderwijk zeker?’
‘Nee hoor!’
Even is het stil. Ik raap m’n moed bij elkaar.
‘Ik doe m’n model weg als we in Almere gaan wonen.’
Ze zucht.
‘Over m’n lijk.’

Standaard