Poldermodel

Twee druppels

Ik snap er niks van’, verzucht oma tegen niemand in het bijzonder.
Ik zit naast haar, maar dat heeft ze alleen in de gaten als ze toevallig naar rechts kijkt. Ze is gefixeerd op het barokke handspiegeltje waar ze tegenwoordig mee getrouwd lijkt. Ze kijkt naar zichzelf. In het spiegelbeeld zie ik dat haar blik droevig en verward is.
Als ze naar mij kijkt, zie ik een glimp van herkenning en een vage glimlach op haar gezicht. Vroeger was ik daar blij mee. Inmiddels weet ik dat ze dan zichzelf ziet. Haar eigen ik, die ze eigenlijk in de spiegel verwacht. Daar waar ze nu alleen maar een oude vrouw ziet.
‘Ben ik dat?’, vraagt ze aan mevrouw Tiemens, die tegenover haar zit. Mevrouw Tiemens reageert in eerste instantie niet. Dan mompelt ze: ‘Ik weet toch niet naar wie je kijkt.’ En ze zinkt weer weg in haar eigen verwarde wereldje. Oma kijkt weer in het spiegeltje. De traan die over haar wang rolt blijft net buiten het spiegelbeeld. Ik zie hem wel. Zelf merkt ze hem niet op. Zo lijkt het tenminste. Niets is meer wat het lijkt. Zeker voor haar niet.
Ik pak het stokoude fotoboekje dat mijn moeder me heeft meegegeven uit mijn tas. Het leek haar een goed idee als ik deze samen met oma zou bekijken, zodat ze misschien haar spiegel eens aan de kant zou leggen. Ik leg mijn hand op haar broze, flinterdunne pols. Haar huid lijkt van perkament. Oud, scheurbaar en doorschijnend. Ze schrikt een beetje en kijkt me aan. Weer die blik van herkenning. Ze ziet zichzelf.

‘Kijk oma, ik heb wat foto’s meegenomen’, zeg ik terwijl ik het spiegeltje voorzichtig uit haar hand neem en het boekje voor haar neer leg. Haar kromme vingers openen het. De gelijkenis treft me, zoals altijd. Ik zie mezelf. Zíj ziet zichzelf. Het is onvoorstelbaar hoeveel ik op haar lijk. Op de foto’s is het niet te zien – ze zijn zwart wit – maar als ik in haar ogen kijk zie ik dat ook onze oogkleur precies hetzelfde is. Groen als smaragd. De mijne worden omhelsd door kohlpotlood. Die van haar door diepe rimpels. Als ik naar haar kijk, zie ik mezelf over vijfenzestig jaar.
Ze bladert door het boekje en lijkt de wereld om zich heen te vergeten. Ik bedenk me hoe waar dat is. Ze is de huidige wereld echt vergeten. Ze leeft alleen nog maar in het verleden, toen ze net als ik nu vijfentwintig was.
‘Ach… Piet…’, zegt ze bij een foto van haar en opa en weer rolt er een dikke traan uit haar smaragdgroene oog. ‘Hij noemde me altijd zijn model.’ Stilletjes staart ze naar de foto. ‘Model’, zegt ze na een tijdje, waarna ze een schamper lachje uitstoot. ‘Ik hoopte altijd ontdekt te worden, maar dat ging in die polder waar we woonden natuurlijk nooit gebeuren.’

Standaard