Verhaal #298 • Afgesproken thema: Volkswagen Caddy

Rondjes

Maurice toeterde en dat was het sein voor Brammetje om naar buiten te komen. Elke eerste zaterdag van de maand opnieuw, precies om tien uur. Altijd speelde Maurice dan op zijn claxon de melodie van ‘Die zien we nooit meer.. te-rug’. Dat moest.
Brammetje wachtte dan in de gang, totdat Maurice het deuntje een bepaald aantal keer had laten horen. Maar Maurice toeterde niet vaak genoeg, dus was Brammetje ook niet naar buiten gegaan. Hij stond nog steeds in de gang. Ineens belde er iemand aan en Brammetje schrok zo erg dat hij de keuken in snelde, zoals hij zo vaak deed als onverwachts de bel ging. Hij spartelde. Hij gilde. Hij riep naar zijn moeder, die nog in bed lag, dat zij open moest doen. Maurice hoorde dat.
‘Brammetje? Ik ben het,’ zei hij door de brievenbus, die hij met zijn hand openhield.
‘Wie? Wie?’
‘Maurice.’
‘Hnnggh,’ zei Brammetje.
‘Hmm. We gaan golfen vandaag, weet je nog?’
‘Oh ja, oh ja.’
Brammetje deed de deur open. Daar stond Maurice, gekleed in een grijze pantalon. De contouren van zijn forse buik waren zichtbaar in een doorzichtig wit overhemd, om zijn schouders had hij een geruite sweater geknoopt. Maurice gaf de jongen een klein kusje op zijn wang. De combinatie van sigarenrook en eau de cologne vond Brammetje vies.
‘Is je moeder er niet?’
‘Jawel, jawel. Boven, boven.’
‘Moet je niet even zeggen dat we gaan?’
‘Ja, ja.’
Hij riep heel hard ‘doei, doei’ naar zijn moeder, waarna de man en de jongen een moeizaam kreunend geluid uit de slaapkamer hoorden komen. Ze gingen.

In de auto vroeg Maurice of Brammetje een snoepje wilde. Hij had altijd autodrop in de auto. Roze Cadillacs, dit keer. Maurice legde uit dat het grappig was dat hij juist die snoepjes had, omdat hij in een Volkswagen Caddy reed. Brammetje begreep het niet, maar dat was niet erg, volgens Maurice. Brammetje pakte een handje snoepjes aan, waarbij ze elkaar even raakten. Maurice aaide even over de rug van zijn hand, waarop Brammetje die van hem abrupt terugtrok. Hij legde de zeven snoepjes uit op zijn hand, zodat ze elkaar niet raakten. Hij legde er eentje weg.
‘Heb je weleens gegolfd, jongen?’ vroeg Maurice, terwijl hij wist van niet.

Maurice zelf daarentegen wel. Hij was een graag geziene gast op de club, maar dit was de eerste keer dat hij Brammetje meenam. Maar elke eerste zaterdag van de maand gingen ze iets leuks doen en de golfbaan leek hem een goede locatie voor Brammetje. Ze waren al een aantal keer naar het bos geweest, een keer naar de kinderboerderij en een keer gaan vissen. Maar meestal gingen ze iets actiefs doen. Maurice hield daarvan, lekker bewegen en zweten met die jongen. De vorige keer waren ze gaan zwemmen. Dat was Brammetje goed bevallen, bovendien Maurice had hem toen op een ijsje getrakteerd. Maar het was er wel erg druk geweest, wat niet zo goed uitkwam. Teveel indrukken. Nu had hij de golfbaan dan ook afgehuurd, zodat ze lekker alleen konden zijn. Een caddy hadden ze niet nodig, dat was alleen maar onhandig.
Onderweg telde Brammetje alle rode auto’s. Het moest een even aantal boven de tien worden, anders kon hij de auto niet uit. En dus reden ze een aantal rondjes in de Volkswagen Caddy door de woonwijk rondom het golfterrein. Maurice vond het ontzettend vermoeiend. Hij probeerde mee te helpen en soms speelde hij vals, maar het maakte toch niet uit. Brammetje moest ze zelf zien. Uiteindelijk had hij er genoeg verzameld en konden ze zich naar de baan begeven. Het ging aanvankelijk prima, maar na een aantal holes moest Brammetje plassen. Ze waren vrij ver van het clubhuis en Brammetje twijfelde om terug te lopen. Er waren nog drie holes en hij moest de ronde wel afmaken. Hij besloot te blijven en niks te zeggen. In plaats daarvan begon hij wat heen en weer te springen, en iets later steeds meer zijn benen bij elkaar te knijpen. Hij had buikpijn.
‘Wat is er?’
Brammetje zei niks.
‘Je hoeft je niet te schamen, hoor. We gaan wel de bosjes in. Er is hier niemand, lieverd,’ zei Maurice. Maar het was al te laat. Hij had het niet tegen kunnen houden en een natte plek ontstond rond zijn kruis.
‘Oh, jongen, toch. Dat is helemaal niet erg. Doe die broek maar uit, er is hier toch niemand.’ Huilend liet Brammetje zijn natte broek uittrekken. Hij begon te schreeuwen toen Maurice hem mee wilde nemen naar de auto. Ze moesten de ronde afmaken. Hij spartelde. Hij gilde. Hij riep om zijn moeder.

Op de terugweg zwegen ze allebei. Totdat Brammetje, toen ze voor de zesde keer de straat inreden, zei:
‘Kijk, Papa. Daar, de twaalfde. We kunnen stoppen.’
Maurice boog naar hem toe, en kuste hem boven op zijn hoofd.
‘Tot volgende maand, lieverd. Groetjes aan mama, hè?’



Wie is Matthijs van Asselt?

Matthijs van Asselt is komiek, held en neus van beroep. Als hij zich niet afvraagt hoeveel vorken er in de wereld zijn, dan berijdt hij wel een groene tractor of geeft hij zomaar grasmaaiers weg via Facebook. Dat absurdisme typeert de schrijver Matthijs van Asselt waarbij niet alles lijkt zoals het is en zeker niet alles is zoals het lijkt en als het wel lijkt zoals het is, dan moet je er vooral niks anders achter zoeken, want het kan niet altijd raak zijn. Desondanks is Matthijs de absolute publiekslieveling van Het Schrijversgenootschap zoals Dirk Kuyt dat ooit bij Liverpool was. (JE / HdK) Volg Matthijs op Twitter →
Standard