Tuinieren

De hazelaar

Samen kochten ze een huis met een tuin. Een tuin waar de kinderen konden spelen, de katten konden jagen op de vele vogeltjes en zij gezellig in de zon konden zitten. In een hoek stond een prachtige hazelaar, met grote groene bladeren en honderden nog net zo groene noten. Samen keken ze naar de bloeiende rododendrons. En dan drukte ze zich tegen hem aan en kuste z’n wang.

Op een dag ging hij met pensioen. Hij had genoeg getimmerd. Het was tijd om uit te rusten, te genieten van de kleinkinderen en zijn vrouw lief te hebben. En die tuin, die moest ook nodig worden opgeknapt. De inmiddels uitgebluste hazelaar kon met wat handig snoeiwerk wel weer wakker geschud kon worden. Dat ging hij doen, dat was z’n plan. Nu eerst die vrouw maar eens liefhebben.

Ze werd ziek. Het waren haar longen. Het vele roken had ze geen goed gedaan, en daar moesten ze nu allebei voor boeten. Een dokter zei dat ze geluk hadden dat het geen kanker was, en dat ze nog een heel aantal jaren voor zich hadden, maar dat ze het wat rustiger aan moest doen. En waarom ook niet. Hij was nog topfit en kon best een stapje extra zetten. Die hazelaar kwam later wel.

Ze hield vol. De pillen waren niet aan te slepen en de doktors stonden elk kwartaal wel in haar te poeren, maar ze hield vol. Hij bracht haar een beschuitje met suiker en een kopje thee op bed en deed nu niet alleen de afwas, maar kookte er ook bij. En soms keek hij naar buiten, naar de hazelaarnoot die de zon kwijt was. Ze drukte zich tegen hem aan en kuste z’n wang.

Toen hij voor de vierde keer in twee weken een kop thee liet vallen besloot zij dat het tijd was voor de dokter. Hij mopperde wat, maar ging toch. Een spierziekte bleek, het progressieve verloop kregen ze er gratis bij. Hij zou steeds minder kunnen, misschien vroeger, misschien later. Onzin, vond hij, zo’n vaart zou dat niet lopen.

Steunend op z’n rollator keek hij naar buiten. Buiten zaagden twee van hun kinderen de hazelaar om. Hij was op en nu een gevaar voor het schuurtje ernaast. Het was beter zo. Z’n oudste keek op en zag hem in het raam staan. Hij knikte. Goed werk, jongen. Zij drukte zich tegen hem aan en kuste z’n wang.

Het was druk in de kerk. Alle kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen waren er. Vrienden, kennissen en oude collega’s kwamen haar stilletjes condoleren. Ze zat, met haar hand op een kist van hazelaar.

Standaard