Verhaal #276 • Afgesproken thema: De Waddenzee

Waterkou

Hij had schulden, had ze haar moeder aan de telefoon horen zeggen. Ze was vast gek geworden. Laatst las ze ergens dat een vrouw na een tropische vakantie larven in haar oor had. De beesten waren langzaam bezig haar hersenen aan te vreten en deden zich tegoed aan haar denkvermogen. Zoiets was ook bij haar moeder gebeurd, dus werd ze gek. Gek van de larven, want papa had geen schulden. Nooit. Dat bewezen de cadeaus die ze van hem kreeg, de zomerse vakanties, de stomme, maar dure regenlaarsjes met bloemmotief. Ze schopte tegen een steentje dat twee keer over het water ketste voor het onder de golven verdween. Haar handen knepen samen tot ze wit werden en de kou haar vingers verkrampte. Hij had in zijn testament gezet dat hij verbrand wilde worden. Haar moeder maakte daar ‘verbrand en uitgestrooid op een koud eiland’ van. Waarom kon hij er niet inzetten dat hij het mooier vond als zijn as in het witte zand van de Caraïbische zee zou liggen? Kon hij tenminste nog naar mooie vissen kijken.

De rubberen zolen van haar laarsjes raakten het water. Haar moeder zei dat het water koud was omdat de wind de verkeerde kant op stond. Ze geloofde het niet. Hoe kan de wind verkeerd staan? Golven rolden het strand op, de schuimende koppen staken er als kronen bovenuit. Zodra het schuim het zand raakte, spatte het uiteen als honderden zeepbellen die werden doorgeprikt door een scherpe vingernagel. Ze keek achterom naar haar moeder, die op het strand stond. Haar haren waaiden naar rechts, net als het helmgras op de duinen. ‘Kom je?’ Haar moeder zei niets en nam een trek van de sigaret die ze tussen twee vingers geklemd hield. Ze liep verder, de golven in. De ronde pot in haar handen was grijs. Net zo grijs als de lucht. Als het ging regenen zou ze haar vader niet eens in het water zien verdwijnen. Misschien zou de wind hem optillen en naar de verkeerde kant waaien, in de richting van haar moeder. Ze glimlachte. Ze zou de sigaret in het zand laten vallen, gillen misschien. Haar laarzen lieten onregelmatige afdrukken achter in het zand die meteen door het zoute water werden weggespoeld. ‘Liefje.’ De stem van haar moeder klonk hees, alsof ze er niet echt was. Misschien was ze er ook niet, was het de wind die haar de woorden toefluisterde.

Terwijl ze de eerste druppel op haar hand voelde en er donkergrijze vlekjes op de urn verschenen, hoorde ze haar moeder roepen. ‘Het regent, we gaan.’ Ze kon haar bijna niet verstaan. Misschien bedoelde ze dat met de wind die de verkeerde kant op stond. Ze veegde een verdwaalde lok uit haar gezicht en keek naar beneden. Het water kwam nu tot haar knieën. Ze moest hem erin gooien. ‘Pap,’ fluisterde ze. ‘Ik zou willen zeggen dat je hier bent op een mooie plek die ik voor je heb uitgekozen. Een plek die bij je past. Maar dan lieg ik, want je bent hier omdat deze stomme zee vijf jaar UNESCO Werelderfgoed is. Korting op de overnachting, hè?’ Haar lippen vervormden tot een wrang lachje. Ze wilde meer zeggen. Iets inhoudelijks, iets waar ze later aan terug kon denken. Maar er kwam niks, dus schepte ze de zwarte as in haar handen en gooide het in de zee. De waas van regendruppels voorkwam dat ze zag waar ze neervielen. ‘Dag, pap.’

Het water voelde bijna koud.

Door: Rosalinde Markus



Wie is gastschrijver?

Dat ben jij! Nou ja, als je een beetje handig met woorden bent. Jouw verhaal ook op de website van Schrijversgenootschap De (Voorheen) Lege Bladzijde? Stuur je beste werk naar info@schrijversgenootschap.nl en laat je lezen!
Standard