De Waddenzee

Zij is de Waddenzee

Zonlicht schittert op de golven, regen spat uiteen op de asgrauwe hellingen. Boeilampen knipperen aan de horizon, witte wazen van vuurtorens ertussen. Lucht en water in grijs en grijzer grijs, lucht en water in felblauw en donkerblauw. Lucht en water als een eeuwig schilderdoek, altijd anders, altijd mooier dan daarnet.

Soms blauw, dan weer bruin, zwart en later groen.
Geen zee zo prachtig als de Waddenzee.

In de stinkende klei knippen krabben pieren doormidden. Oesters met zeepokken, krabben met zeepokken, stenen met zeepokken. Honderd meeuwen schijten duizend witte vlekken op het strand. Groene drab tussen je tenen, zwarte klei blijft plakken aan je hielen. Het leven klampt zich aan je vast.

Soms blauw, dan weer bruin, zwart en later groen.
Geen zee zo vuil als de Waddenzee.

Vijftig zeehonden, samen bradend op een zandbank, een eenenvijftigste komt erbij. Tientallen plezierjachten, veerboten, viskotters en klippers manoeuvreren langs elkaar. Ontelbare meeuwen schreeuwen verwensingen naar elkaar in de strijd om toeristenvoer. Krabben zetten hun klemmen in het aas van knulletjes van acht, die kirrend hun buit omhooghalen. Op een bankje wordt geknuffeld.

Soms blauw, dan weer bruin, zwart en later groen.
Geen zee zo behaaglijk als de Waddenzee.

Elke zes uur anders. Zandbanken zijn waar ze net niet waren en zeehonden zoeken vergeefs naar hun oude stek. Eilanden verschuiven en schepen vergaan. Spiegelglad, bijna zacht bij mooi weer. Stampend, beukend, rollend in een storm.

Soms blauw, dan weer bruin, zwart en later groen.
Geen zee zo veranderlijk als de Waddenzee.

Zand in het haar, golvend in de wind. Haar ogen blauw, een zwarte veeg op de linkerwang. Moe en hongerig, lief en dromerig. Ze ruikt naar het land, naar Andrelon, naar zichzelf. Ze kust, ze bijt.

Soms blauw, dan weer bruin, zwart en later groen.
Zij is de Waddenzee.
Zij betovert.

Standaard