De Waddenzee

Lekker ding

Het waaide stevig vandaag, maar dat deerde niet. Voor hem was het een prima dag om wat rond te hangen. Het was rustiger dan andere dagen, maar toch nog behoorlijk druk. De zon scheen fel. Aangespoelde schelpen lagen te glinsteren in het zand. Soms ving hij een parelmoeren glimp op van de binnenkant van een mossel. Het diertje was er uit. Het huisje lag verlaten op het strand. Schelpen die dicht bij de branding lagen werden dan weer meegesleurd door de golven en dan weer door de zee op het zand gebraakt. Rondkrabbelende krabbetjes vermeed hij zorgvuldig. Ze konden venijnig zijn, die rotbeestjes.
Hij keek uit naar een lekker ding. Mannelijk of vrouwelijk, dat maakte hem weinig uit. Zo kieskeurig was hij niet. Hij hield van beide geslachten. Soms kwam er iets potentieels voorbij, maar die was dan ook snel weer weg. Dat snapte hij wel. De kinderen die in het water speelden maakten veel lawaai. Zelf zou hij daar ook niet graag rustig zwemmen of wat bruinbakken in de zon. Misschien moest hij een rustiger plekje opzoeken.

Op de zandbanken verderop heerste totale rust. Er lag een groep zeehonden. Mooie dieren vond hij dat. Hij vertoefde graag in hun buurt om ze rustig te bekijken. Het mooist vond hij ze als ze sliepen op het droge. Dan ademden ze niet. Wonderlijk. De jongen waren aandoenlijk, met hun witte vacht en die eigenwijze blik in hun ogen. Ja, hij hield van zeehonden. Ze oogden vriendelijk en leken hem te accepteren. Zij wel. Bij mensen was dat vaak anders. Die joegen hem weg. Hij hoorde hen wel eens zeggen dat ze hem te schreeuwerig vonden.
Plotseling viel zijn oog op een jongen met een zilverachtig jasje aan. Deze viel op. Het jasje glinsterde in het zonlicht en de weerspiegeling flikkerde in zijn ogen. Het kereltje was dik. Vet zelfs. Maar dat gaf niet. Hij hield van mollig. Ja, dit moest hem worden. Hij was op slag verliefd.
Hij probeerde zo ongemerkt mogelijk dichterbij te komen, terwijl hij zijn ogen strak op het lekkere hapje gericht hield. Het manneke had niets in de gaten. Hij moest eens weten wat hem te wachten stond. Naarmate hij dichterbij kwam voelde hij de opwinding groeien. Dit was altijd het spannendste moment. Zijn maag verkrampte. Hongerig. Dat gebeurde altijd als hij iets concreet op het spoor was. Hij negeerde het. Nog drie keer cirkelde hij er om heen. Toen besloot hij dat dit het moment was.

De snoekduik naar beneden was in volle vaart. Zijn vleugels lagen strak langs zijn lichaam. Even was daar de schok van de kou toen hij kopje onder ging. Hij sperde zijn snavel open en ving het joch met het zilveren jasje. Tevreden steeg hij weer uit zee op omhoog. Zijn klapwiekende vleugels trokken de aandacht van de spelende kinderen. Eentje wees naar hem: ‘Kijk, die heeft een vis gevangen!’

Standaard