Het weer

Tussen winterjas en voorjaarszon

We zijn onderweg naar het Vondelpark en ik hekel mijn winterjas. Even was er de twijfel, vlak voordat we er op uit gingen. Op de deurmat voor ons huis stond ik met mijn ogen dicht en probeerde te voorspellen wat mijn lichaamstemperatuur zou zijn tijdens de geplande wandeling in de voorjaarszon. Zo stilstaand was er niks aan de hand. Aangenaam, geen reden tot enige vorm van transpiratie. Prima toeven.
Echter, lopen met een pittig doorstaptempo (zij houdt gelukkig ook niet van slenteren), met een graad of achttien als gevoelstemperatuur, kan zomaar eens de hele zweethuishouding van slag brengen onder zo’n dikke winterjas. Maar is het vandaag wel een graad of achttien? Het komt heel nauw, een paar graden naar boven of naar onderen maakt een wereld van verschil in deze schemerige periode tussen winter en de begindagen van de lente.
‘Kom, we gaan,’ had ze gezegd en de deur dicht getrokken.
En zo had zij voor mij besloten.

Met haar hand in de mijne naderen we de ingang van het park. Tijdens de wandeltocht door de stad heb ik zestien winterjassen geteld en vier zogenaamde tussenjassen. Ik heb thuis geen jas hangen voor de periode tussen de winter en de zomer en de periode tussen de zomer en de winter. Dat gaat me allemaal net iets te ver. Een winterjas, een zomerjas en buiten zijn zonder jas moet genoeg zijn voor iedereen.
Afijn, ik heb het dus warm en op dit moment nog maar een optie: de jas uit doen. Maar dan wordt het gevaarlijk. Dit soort optimistische voorjaarsdagen in maart zijn het verraderlijkst. In het weekend zonder jas naar buiten, een biertje in de zon en hoppa: de volgende dag zo verkouden als een hond.
Dan maar zweten in de winterjas.

‘Is het eigenlijk nog steeds geouwehoer op je werk?’ vraagt ze als we over het bruggetje bij het Blauwe Theehuis lopen. Het terras zit vol en zo te zien beginnen diverse bedrijven morgen de week met een handjevol ziektemeldingen.
‘De sfeer is nog steeds gespannen,’ antwoord ik met de blik op het terras gericht.
Snelle scan: toch al gauw zes tussenjassen.
‘Heb je er veel last van?’ vraagt ze.
Het valt me op dat de tussenjas vooral bij vrouwen een dingetje begint te worden. En dat ik er blijkbaar oog voor heb.
‘Ik hou me een beetje afzijdig op de afdeling,’ antwoord ik. ‘Wil vooral niet de knuppel in het hondenhok gooien.’
‘Hoenderhok,’ zegt ze.
‘Wat?’
‘Je zei hondenhok. Het is hoenderhok.’
‘Ah.’
‘Hoen is een oud Hollands woord voor kip. Je gooit dus een knuppel in een kippenhok.’
‘En dat is nooit een goed idee.’
‘Precies.’

We lopen verder en de zon begint mij nu steeds dwarser te zitten. Ik durf het niet uitvoerig te controleren, maar volgens mij bezwijken zowel de linker- als rechteroksel al een beetje onder de hitte.
Die vreselijke klote winterjas.
Twee dagen geleden was het nog een perfecte combinatie geweest, mijn winterjas en een voorjaarszonnetje. De laatste werkdag van de week, en ik zat prinsheerlijk in de zon met de laatste verhalenbundel van Martin Bril op een bankje van het meest troosteloze treinstation van Nederland (Amsterdam Lelylaan). Het was zo lekker dat ik er bijna rouwig om was dat de trein op tijd het station binnenreed.

‘Gut Martijn, je zweet helemaal,’ zegt ze en met een tissue veegt ze over mijn voorhoofd. ‘De zweetdruppels lopen over je gezicht.’
‘Het is de winterjas,’ zeg ik. ‘Ik had ‘m nooit aan moeten doen vandaag.’
Ze gooit de tissue in een prullenmand en even sta ik alleen op het wandelpad. Joggers, fietsers en skaters passeren me aan beide kanten. Een groepje is aan het yoga’en op het grasveld. Ze zweten allemaal, maar mogen het. Misschien als ik mijn jas uit doe en naar huis ren, ben ik morgen niet ziek.
‘Doe gewoon je jas maar uit,’ zegt ze als ze weer naast me staat. ‘Dan ben je morgen maar ziek, heb je lekker een dagje vrij. Je vindt het toch niet meer leuk daar.’
En zo had zij voor mij besloten.

Standaard