Het weer

Je doet het weer

Het is zondagmiddag en ik zit in mijn eentje op een terras. Ik haat in mijn eentje op een terras. Het is tijdelijk, want ik heb met Rutger afgesproken, maar toch. Ik kan mezelf niet vermaken. Met in mijn eentje op het terras bedoel ik niet dat er verder niemand is. Het is namelijk erg druk op ‘de broedplaats voor young creatives van modern Amsterdam’. Zo staat het op de menukaart, in een citaat uit het Parool. Ik gnuif, wat een gelul. Maar het heeft wel zijn uitwerking, want naast mij hoor ik een, voor mij, onbekende rapper met een muts op nieuwe teksten uitproberen.
‘Zit zo stoned als een aap op een bankie, ik ben zowel Paultje alsook Frankie.’
Zijn tafelgenoot noemt het ‘hard’ en begint over gesponsorde tweets. De figuurlijke klappen die ik mezelf geef, laten een grote rode afdruk achter op het voorhoofd van mijn gedachten.
Ik zeg tegen de serveerster die voor de derde keer komt vragen of ik iets wil hebben dat ik nu toch maar een koffie neem.

Na twintig minuten komt Rutger eindelijk aan lopen.
‘Ik word helemaal gek van dat lyrische gezeik over het mooie weer. Typisch Nederlands,’ is het eerste wat hij zegt.
‘Ik word juist gek van het gezeik over dat lyrische gezeik over het mooie weer en vind dat dan weer typisch Nederlands,’ bied ik als repliek.
‘En misschien zijn er dan wel mensen die jou dan weer ontzettend vinden zeiken, hoogstwaarschijnlijk zelfs.’
‘Zo kunnen we nog wel even doorgaan, maar dan zal de zon in ieder geval wel onder zijn.’
Dan grijnzen we en omhelzen we elkaar. Zo gaat het altijd, hoe lang we elkaar ook al niet gezien hebben.

Naast mij hoor ik meer rapteksten ontstaan. ‘Ik leef in omin onmin met mezelf, onder anderen. Alleen gaat het goed, of moet ik nou veranderen?’ en de vriend van de sponsortweets voegt er luid ‘Ooooh!’ aan toe en doet zijn hand voor zijn mond. Ik schud mijn door mentale klappen rood geworden hoofd.
‘Nu doe je het weer.’
Rutger leunt achterover en neemt een slok van zijn bier. Ik probeer te denken wat hij bedoelt om hem een stap voor te zijn, maar ik weet het niet.
‘Waar heb je het over?’ zeg ik.
‘Ja, het. Wat je altijd doet.’
‘Wat dan?’ Ik weet het echt niet.
‘Dat neerbuigende. Alsof je beter bent dan hun.’
Hij maakt een beweging met zijn hoofd richting de rappers.
‘Dan zij.’
‘Nu doe je het wéér.’
Ik sta op om naar de wc te gaan. Dit hoef ik niet te horen.

Als ik terugkom, wenkt Rutger de serveerster en bestelt twee bier en twee vodka. Ik zucht.
‘Rut, ik drink niet. Hoe vaak moet ik dat nog zeggen?’
‘Saaie lul. En nu doe je het weer trouwens!’
Hij zegt het heftig knikkend, met hoog opgetrokken wenkbrauwen.
‘Wenkbrauwen opgetrokken als de sokken van Kezman, wil je dissen als Sydney maar fuck dit, ik heb les, man,’ bemoeit de buurman zich er ineens mee.
‘Wauw. Applaus voor jou, man,’ zegt Rutger, die hinderlijk dicht bij het gezicht van de rapper een slowclap inzet.
‘Nu doe je het zelf,’ zeg ik.
De twittervriend van de rapper staat op.
‘Is het weer niet goed?’ zegt hij.
‘Jawel hoor. Heerlijk toeven hier in het zonnetje.’ Rutger glimlacht. Hij geniet van zijn opmerking en gaat ook staan. Hij heeft het op zijn heupen, want hij begint te rappen.
‘En de sfeer werd grimmig als Fred, het was uit met de pret. Voor jou geen loftrompet, de rapgame is te ver van je bed. Ik geef je veertien regels, want ik ken de rapwet. Maar nu aan de kant, want je stond in mijn sonnet.’
Rutger doet zijn petje achterover en gaat theatraal met zijn armen over elkaar staan.
‘Nu doe je het weer,’ zeg ik.

Standaard