Het weer

Weerdepressie

Regen klettert op het dak van mijn auto. De radio wordt er door overstemd, maar dat geeft niet. Ik steek mijn kop in het zand van Nielson staat op. Als ik het wel goed zou kunnen horen dan zou ik nu de radio uit of op een andere zender zetten.
De straat is verlaten. Zoals altijd eigenlijk. Alleen in de zomer fietsen hier veel dagjesmensen. Mijn koplampen verlichten een paar bomen en de motor draait stationair. Ik verwacht de bus binnen tien minuten.
In mijn achteruitkijkspiegel zie ik lampen naderen. Een auto stopt achter me. Ik voel me ongemakkelijk; ik verwachtte slechts een bus, hier rijden bijna nooit auto’s. Ik word verblind door de lichten en schrik me wezenloos als er op mijn raampje wordt geklopt. Politie. Opgelucht draai ik mijn raampje open.
‘Dag mevrouw. Mag ik vragen wat u hier doet?’, vraagt de agent nors. Hij heeft zijn schouders opgetrokken. De regen roffelt op zijn pet. ‘Ik wacht op de bus’, antwoord ik braaf. Vlug voeg ik er aan toe dat mijn vriendin op bezoek komt. Hij vraagt waarom ik voor zo’n afgelegen plek heb gekozen en vertrouwt het duidelijk niet. ‘Er gebeuren hier wel eens dingen mevrouw’, verklaart hij.
‘Deze halte ligt gewoon het dichtst bij mijn huis.’ Ik zie het probleem niet zo. Ik snap wel dat hij even poolshoogte moet nemen, maar mijn verklaring zou genoeg moeten zijn. Ik sta immers bij een bushalte en de bus komt zo. ‘Wilt u mijn rijbewijs en autopapieren zien?’, vraag ik.
Hij schudt zijn hoofd en ik zie dat hij zijn zaklamp op mijn achterbank schijnt. ‘Moet ik iets van dat boek op uw achterbank denken?’ Ik schrik en even ben ik in de war. Boek? Welk boek? Ik kijk om. Oh, dat boek. Het is een dikke pil. Suïcidaal Gedrag, staat er op de omslag. Ik lach een beetje nerveus: ‘Nee hoor. Ik heb het nodig gehad voor mijn afstudeerproject.’ Ik vervloek mezelf dat ik zo zenuwachtig reageer, maar ik kan er niets aan doen. Ik word altijd nerveus van uniformen.
De agent is niet overtuigd. Hij veegt wat regendruppels uit zijn gezicht – alsof dat zin heeft – en vraagt wat ik gestudeerd heb. ‘Journalistiek meneer.’ Ik raak nog meer gespannen. Stel dat hij écht denkt dat ik hier ben om een eind aan mijn leven te maken en me daarom mee wil nemen naar het bureau voor meer vragen?
‘Wat heeft journalistiek met suïcide te maken?’, vervolgt hij zijn verhoor.
Ik vertel hem dat ik een essay heb geschreven over hoe media omgaan met zelfmoord en dat ik het boek heb geprobeerd te verkopen via bol.com. Hij denkt er even over na en knikt dan. Opgelucht haal ik adem. Zijn jas is inmiddels doorweekt, zijn zaklamp hapert. Tegelijk zien we dat de bus nadert. ‘Haal dat boek straks maar uit uw auto’, zegt hij. ‘Of doe het in een plastic tasje, zodat het niet zo opvalt. En wacht niet meer in uw eentje op plekken als dit.’ De bus stopt, er stapt niemand uit. Zinloos gewacht.
‘Zal ik doen, meneer agent’, zeg ik en ik toon mijn liefste glimlach. ‘Wat een deprimerend weertje hè? Met dit weer zou je jezelf het liefst voor die bus gooien, niet?’ Ik draai mijn raampje dicht, schakel naar de eerste versnelling en als ik wegrijd zie ik meneer agent vertwijfeld in de regen staan.
Kans verkeken.

Standaard