Het weer

Zelfs haar stem klinkt dik – Henk Westbroek

Niet dat het regent, maar terwijl ik in m’n nette pak over een bouwterrein naar een pannenkoekenboerderij loop, klaag ik hartgrondig over het weer.

We zijn bij een trouwerij geweest, en om de verjaardag van mijn schoonvader gelijk maar te vieren, gaan we uit eten. Bij een pas geopend pannenkoekenrestaurant. Op een braakliggend stuk land. Met een parkeerplaats vol kuilen. Waar zelfs met de auto nauwelijks te komen is.

Binnen is het gezellig druk. Van de twintig tafels zijn er drie bezet, eentje met een stelletje van een jaar of achtentwintig, de andere twee met jonge ouders en jonge kinderen. Een waggelend dikke serveerster met vet, naar achteren gestoken haar wijst ons naar onze gereserveerde achtpersoonstafel. Er staat Van Gilse schenkstroop, Van Gilse poedersuiker en een flikkerend waxinelichtje op. Achter een deur zie ik de knipperende oranje alarmlichten van een kiddy ride. Het schuren van onze stoelen over de plavuizen galmt na in de grote, muziekloze ruimte.

Het eten laat op zich wachten. Erger nog: het biertje dat voor mij staat was al schuimloos toen ik het kreeg. Maar ja, schoonfamilie, dus dan blijf je beleefd, zélfs als je bier niet goed is. Zo doet men dat al sinds mensenheugenis en ik zal echt niet de eerste zijn om dat te doorbreken. De moddervette serveerster komt vertellen dat er iets mis was met het beslag en dat de andere gemaakte pannenkoeken nu eerst naar de andere 3 tafels gaan. In al haar dikheid torent ze over de tafel heen. Ik luister geamuseerd naar de vetheid van haar stem.

Haar stem klinkt zelfs dik, ja.

Stel je dit voor: je zusje, dochter of nichtje van een jaar of tien probeert een mannelijke operaster na te doen die midden in een hele lage bassolo zit.

Het is echt alsof haar stembanden zo vet zijn dat ze alleen nog maar op lage frequentie kunnen trillen. Ik gnuif.

Een uur nadat we besteld hebben en honderd grappen over de kok die z’n eigen pannenkoeken eet de revue zijn gepasseerd, komen eindelijk de pannenkoeken. Ze zijn niet helemaal warm. Waarschijnlijk omdat de kok telkens nieuwe moest bakken omdat hij ze de hele tijd zelf opat. Ha.

Een kwartier later zijn we klaar en de enigen in het restaurant. De waggelende big en haar collega drentelen wat rondom de bar in plaats van, ik noem maar wat, een radio te installeren. In de keuken kunnen we de eveneens dikke kok – hij eet die pannenkoeken dus inderdaad – zien schoonmaken. We willen weg, en dat ziet de Big Mac op poten. Met haar zoetgevooisde, stroperige stem vraagt ze of alles gesmaakt heeft.

“Nee!” roept m’n zwager grappend.
“Sorry hoor, hij probeert grappig te zijn” excuseert m’n andere zwager.
“Dat is-ie alleen niet echt” flapt de toekomstige hartpatiënte eruit.
Heel even blijft het muisstil. Buiten valt de wind stil.

Standaard