Crematie

Kletskop

Langzaam loop ik de aula in. De kist staat er al. Er ligt één boeket op. Daar ligt ze, mijn oma. Ik kan haar niet zien. Natuurlijk niet. De kist is dicht. Maar ik weet dat het haar kist is, omdat in de krant stond dat haar crematie op dit tijdstip zou zijn, in dit crematorium.
Het geeft ook eigenlijk niet dat ik haar niet kan zien. Ik zou haar waarschijnlijk niet eens herkennen.

Oma was een lieve vrouw. Een beetje op zichzelf, maar wel lief. Op zondagse bezoekjes kregen we Kletskoppen. Van die flinterdunne koeken met pinda’s er in. Altijd als ik in de supermarkt Kletskoppen zie liggen dan denk ik terug aan die zondagen. Maar ik koop de koeken nooit. Ze horen in oma’s kastje. Niet in mijn winkelmandje.
Toen oma Edward leerde kennen, was ze steeds minder vaak thuis op zondag. We stonden dan voor een gesloten deur. Als mama haar ’s avonds belde om te vragen waarom ze niet thuis was, dan bood ze haar excuses aan. Gemeend, maar gejaagd. Fluisterend. Alsof ze niet mocht bellen. Mijn moeder huilde stilletjes als ze had opgehangen. Ik kroop dan bij haar op schoot en probeerde haar te troosten.
Na een tijdje was oma elke zondag weg en belde mijn moeder ’s avonds niet meer om te vragen wanneer we wél op bezoek konden komen. Als ik aan mijn moeder vroeg waarom we nooit meer Kletskoppen aten bij oma, dan haalde ze triest haar schouders op. ‘Oma’s nieuwe vriend wil niet dat oma ons nog ziet.’ Ik begreep dat niet. Ik was nog maar een kind.

Het leven ging verder. Ik werd ouder, ging naar de middelbare school en daarna studeren in een andere stad. Mijn oma verdween letterlijk en figuurlijk naar de achtergrond. Hoe kon ik me haar ook herinneren. Ik was negen toen ik haar voor het laatst zag. Ik dacht alleen aan haar als ik Kletskoppen in de supermarkt zag. Dan zat ik weer even op haar schoot aan zo’n koek te knabbelen.
Een man komt de aula binnen. ‘Bent u familie?’, is zijn vraag. Ik knik. ‘Ik ben haar kleinkind.’
‘Goed dat u bent gekomen. Nu is er tenminste iemand die afscheid van haar komt nemen. Er is nooit iemand bij haar op bezoek geweest.’ De man stelt zich voor als Bernard van Blaricum, de directeur van het verpleeghuis waar oma haar laatste jaren doorbracht. Waarschijnlijk dezelfde man die de overlijdensadvertentie heeft laten plaatsen. De overlijdensadvertentie die mij liet weten dat ze op 88-jarige leeftijd is overleden.
De dienst is kort. Drie liedjes en een speech van Bernard. Met mij erbij zitten er zes mensen in de aula. Zes mensen die afscheid nemen van mijn oma. Drie daarvan zitten naast Bernard. Ik neem aan dat ze in het verpleeghuis werken. Ik ken ze geen van allen.
Aan het eind van de dienst sta ik op, leg even twee vingers op de kist en loop weg.
Ik lees het gedachtenisprentje dat bij de uitgang in mijn hand geduwd wordt. Edward blijkt al jaren dood te zijn. Het dringt tot me door dat oma sindsdien nooit contact heeft opgenomen. Misschien durfde ze niet. Of misschien was ze te dement om zich te kunnen herinneren dat ze familie had.

’s Avonds doe ik boodschappen. Ik neem een pak Kletskoppen uit het koekschap en leg het in mijn mandje.

Standaard