Shoppen

Vlieguren

Ik stapte het café aan het Koningsplein binnen met een zelfverzekerdheid die nog nooit zo prominent bij mij aanwezig was geweest.

Het was vroeg in de middag, maar toch al druk. Voornamelijk met toeristen, echte Amsterdammers komen hier niet. Ik scande de gelegenheid naar een vrij tafeltje en vond er eentje achterin.
Martin was er nog niet, maar dat klopte. Hij had me al per sms op de hoogte gebracht van zijn vertraging op het spoor. Het had me niet verbaasd, ik kende hem langer dan vandaag. Een trein eerder nemen voor de zekerheid was ondenkbaar.
Ik ging zitten en bestelde een cappuccino. Bij afwezigheid van een gesprekspartner staarde ik uit het raam. Het viel me op dat ik volledig in overeenstemming was met de huidige situatie. Alleen zitten in een café was iets wat ik vroeger nooit had gekund. Het was te raar. Iedereen zou naar mij kijken. Waarom zit hij alleen? Wat is er met hem aan de hand?
‘He ouwe pik, zit je hier al lang?’
Martin pakte een stoel en ging tegenover me zitten.
‘Dat heb je nog snel gedaan,’ antwoordde ik.
Hij lachte. ‘Ja joh. Ik dacht dat er weer zo’n gekkie gesprongen was, maar het was gewoon even zo’n rood sein waar we voor moesten wachten. Paar minuutjes vertraging, verder prima de bima.’
Ik knikte. De serveerster kwam aanlopen, maar dat moet toeval geweest zijn.
‘Doe mij maar een ijsthee,’ zei Martin en hij legde zijn mobiel op tafel. Het ding trilde, maar Martin drukte de beller weg.
‘Dat kan wel wachten,’ zei hij.
Ik nam een slok van mijn koffie om zo maar niet het onderwerp van onze afspraak op tafel te moeten leggen. Martin had mij uitgenodigd, dus hij moest het spel maar beginnen.
‘Dankjewel, schat,’ zei Martin en hij nam meteen een slok van zijn net gebrachte ijsthee.
Afwachtend op wat zou komen, keek ik uit het raam. Amsterdam was zoals altijd volop in beweging en bestond die dag, kort door de bocht genomen, ook weer uit twee soorten mensen: zij die op vakantie zijn en zij die haast hebben. Zoals het meisje met de blonde haren en een lange blauwe jas. Ze liep haastig op zwarte hakschoentjes en sleepte een rolkoffertje achter haar aan. De vrees om te laat te komen was te lezen op haar gezicht. Een KLM stewardess, die haar vlucht naar Rome niet mocht missen. Haar collega’s zitten al in het toestel dat over een paar uur de warme Italiaanse grond zal kussen.
‘Kijk Adriaan, ik vind het dus geweldig dat we een aanbieding hebben gekregen.’
Het spel was begonnen.
‘Dat geeft ons een heel gunstige uitgangspositie,’ ging Martin verder. ‘De bal ligt niet bij ons.’
‘De bal,’ herhaalde ik. ‘Goh, ik wist niet eens dat er een bal was.’
‘Wij kunnen nu gewoon gaan shoppen bij andere platenmaatschappijen, Adriaan. Kijken wat zij bieden. En daarna pikken we gewoon de beste er uit. Appeltje eitje en we worden allemaal rijk.’
Ik zuchtte. Martin was een oude vriend die ik had leren kennen tijdens een studie bedrijfskunde in Groningen. Ik was na het tweede jaar gestopt om me volledig op de muziek te concentreren, hij had ‘m cum laude afgemaakt. We waren vrienden gebleven, zelfs toen ik een paar maanden geleden naar Amsterdam was verhuisd. Maar uiteraard zagen we elkaar steeds minder. Het verwateren waar vele vriendschappen aan kapot zijn gegaan, zoals roest een oude fiets weg vreet, was begonnen en volgens mij was ik de enige aan deze tafel die dat doorhad.
‘Ik wil helemaal niet gaan shoppen,’ antwoordde ik.
‘Hoezo wil je niet gaan shoppen?’ counterde hij fel. ‘Je bent gek, man. Dít is je kans!’
Ik nam een slok van mijn cappuccino en zette het lege kopje rustig op z’n schoteltje terug. Onderwijl bleven de vragende ogen van Martin op mij gericht. Hij werd ongeduldig, bewoog onrustig op zijn stoel. Maar ik bleef kalm. Die zogenaamde bal lag bij mij. Het draaide om mij. Mijn liedjes, mijn carrière, mijn leven.
‘Martin, ik denk dat jij niet meer mijn zaken moet behartigen. Ik wil het op mijn manier doen. Eerst nog een paar nieuwe liedjes schrijven en dan zie ik wel verder. Het is te vroeg.’
‘Hoezo te vroeg? Je bent gek man. Je hebt een aanbieding!’
Ik bleef rustig, iemand moest het doen.
‘Natuurlijk is het mooi om te weten dat er een platenmaatschappij is die mij interessant vindt,’ antwoordde ik. ‘Maar het is nu voor mij eigenlijk niet veel meer dan een bevestiging dat ik op de goede weg ben. Maar ik ben er nog lang niet.’
‘Nog wat drinken?’ vroeg de serveerster, maar ik schudde van nee. Ik moest eerst dit afmaken.
‘Ik heb ooit gelezen dat je ergens tienduizend uur in moet steken om er echt heel goed in te worden,’ ging ik verder. ‘Je kunt talent hebben, maar in die vlieguren wordt het gevormd en echt goed en waardevol. En zover ben ik dus nog niet. Maar nogmaals, ik zit op de goede weg.’
‘Je bent gek, man,’ zei Martin en hij stond op. ‘Je krijgt maar één kans en die laat je nu liggen. We zijn klaar hier, je zoekt het maar uit met je gitaartje en je moeilijke bril.’
Ik bestelde nog een cappuccino en voelde me goed. Ik had het roer weer in eigen handen. Achterover gezakt keek ik naar buiten. Ik moest denken aan het meisje in de blauwe jas. Zou ze haar vliegtuig hebben gehaald? Ik pakte mijn notitieblokje en noteerde met een voor mij onbekende vastberadenheid een paar zinnen voor een nieuwe liedje:
Let the sun be your guide
This journey is your life
Remember you are a friend of mine
Fly, blue girl fly.

Standaard