Cliniclowns

Over knuistjes en clowns

‘Alex, je bent weer ziek.’

‘Dat kan niet, want ik ben bang voor clowns.’
Ik kijk verbaasd naar dokter Marten, wiens mond open valt. Dan draai ik weer terug naar Alex, die met z’n knuistjes de leuningen van zijn stoel stevig vasthoudt. Op het hoofd van mijn zoontje beginnen juist weer wat blonde lokken te verschijnen, zij het aarzelend.
‘Hoezo, je bent bang voor clowns?’
Alex kijkt naar me met ogen die zich afvragen waarom ik het niet begrijp. ‘Nou, gewoon, dan kan ik dus niet in het ziekenhuis liggen.’
Dokter Marten slaakt een ‘ah’ en knikt begrijpend. ‘Je houdt niet zo van de cliniclowns.’
‘Uhuh!’ hoor ik naast me, gevolgd door een hartgrondig ‘Ze zijn stom.’
‘De vorige keren vond je ze altijd zo leuk,’ hoor ik mezelf zeggen.
‘Nietus!’
‘Nou, dat is geen probleem hoor,’ zegt dokter Marten, ‘dan zorgen we gewoon dat er geen cliniclowns bij jou komen. Is dat goed?’

Er wordt driftig geknikt. Ik glimlach dankbaar naar dokter Marten. In het begin noemde we hem nog gewoon dokter De Boer, maar na een behandeling of vijftien ga je elkaar vanzelf tutoyeren. En op een gegeven moment leer je alle verpleegsters en verplegers ook bij voornaam kennen. Voor je het weet loop je groetend, lachend en handenschuddend naar een jongetje in een ziekenhuisbed.
‘We gaan weer vechten tegen de slechten, oké?’
‘Vechten tegen de slechten met vlechten!’ giechelt Alex.
‘Zo is het.’ beaamt dokter Marten. ‘We zullen ze eens een poepje laten ruiken toch?’
M’n knulletje schatert het uit.

Een kwartier later loop ik met Alex naar de felgekleurde ‘straalkamer’, onze bijnaam voor de wachtkamer van de oncologie. We mochten direct door. Alex klimt maar gelijk in een van de speeltoestellen en zelf pak ik een willekeurig tijdschrift dat de Linda blijkt te zijn. Ik lees iets over de ultieme manier om je man in bed te verwennen.

Ik kijk omhoog.

Alex hangt met z’n dunne armpjes aan de buitenkant van een speelhuisje. De levenslust die ik zo gemist had, zit er eindelijk weer in. En straks gaan we het gezellig samen slopen. Ik knijp m’n ogen even dicht en voel opeens de armen van Alex om m’n benen. Ik kijk naar hem en z’n angstige ogen.
‘Wat is er?’ vraag ik onnodig, want ik zie de twee cliniclowns ook. Ze zijn moeilijk te missen. Alex drukt zich tegen me aan en ik neem hem op schoot. De ‘Linda’ valt op de grond. Een van de clowns ziet het en komt naar ons toe.
‘Zal ik die even oprapen?’
Hij bukt, waardoor z’n gezicht vlakbij die van Alex hangt. Even hangt er een stilte, dan barst Alex in krijsen uit. De clown schrikt, maar herpakt zichzelf professioneel.
‘Wat is er jongetje? Ben je bang voor mij?’
Het krijsen wordt harder.
‘Kijk eens wat ik voor je heb?’ vraagt de clown, terwijl hij een ballon uit z’n zak pakt en vervolgens opblaast. Alex gilt en spartelt.
Uit een hoek hoor ik ‘Veenstra?’ klinken.
‘We mogen,’ zeg ik tegen Alex en tegen de clown: ‘Sorry Robert, we zijn.’
Alex springt van me af en rent voor me uit de behandelkamer binnen.

Zometeen mag ik hem naar buiten tillen.

Standaard