Verlegen

Inkomen

Ik zit in een leuk, rustig café. De naam laat ik achterwege, anders blijft het er misschien niet zo rustig als het nu is.

Vroeger kwam ik er vaak met Sara, op zaterdag. We zaten altijd boven, op de bank tegenover de boekenkast. Boven was niet echt een verdieping, maar een verhoging, bereikbaar met een trapje van drie treden. Ik las dan boeken en zij wilde altijd thee, maar nooit het koekje. We praatten niet veel, want we hadden het goed.
Op een gegeven moment kenden we de barjongen, Marc. Die gaf dan een gratis gebakje weg, dat zij natuurlijk kreeg. Soms zat er een hartje in het melkschuim, als Sara toch voor die ene keer een cappuccino had besteld. Ik wilde al haar koekjes.

Ik heb willekeurig een boek uit de boekenkast getrokken voor bij de koffie. Die is er nog niet, ondanks dat ik hem bij binnenkomst bestelde en dat weerhoudt mij ervan om er lekker in te komen, zoals dat kan bij een boek.
Over er helemaal inkomen gesproken: ik bevind mij ver weggezakt in de leren, bordeauxrode fauteuil. Wat dat betreft is het wel prettig dat ik al een boek heb gepakt. Voor me staat de salontafel van dun hout met sierlijke pootjes en aan de overkant de stoel met gele stof en bruine esdoornbladeren erop. Naast mij heb ik nog niet goed durven kijken. Ik weet dat er een wit met zalmroze gestreepte bank staat, die ken ik, maar er zijn inmiddels drie jonge vrouwen op gaan zitten. Ik hoor ze af en toe. Ze praten, en lachen veel. Het haalt me uit het verhaal, maar ik durf niet op te kijken. Het gaat volgens de achterkant van het boek over een womanizer van het zuiverste water. Hij kan iedere vrouw krijgen, maar moet op een gegeven moment kiezen tussen dat leven of de liefde. Een flink probleem van luxe, en hoofdschuddend lach ik er om. Ik kijk op naar de bank, misschien hoorden ze me en vinden ze me raar. Eén van hen glimlacht terug. Snel stop ik mijn gezicht weer in het boek, maar lezen is er niet echt bij.

Ik probeer te bedenken hoe het ook alweer is om een vrouw te versieren. Vóór Sara ging het altijd soepel. Ik zei iets gevats, het maakte niet eens uit waarover, en dan was het raak. Of niet, maar dat deerde dan niet. Ik was zeker.
Bij Sara was het vanzelf gegaan, we kenden elkaar al van de middelbare school en ik kwam haar tegen op het buurtfeest dat ik elk jaar organiseer. Een thuiswedstrijd. Daarna heb ik eigenlijk geen ontmoetingen meer gehad, tenzij de keer dat ik diep in de nacht de barvrouw van de karaokebar ten huwelijk vroeg meetelt.
Ik kijk nog een keer op van mijn boek. Ik lach, ze lacht terug. Een pluk haar gaat achter haar oor. Niet teveel nadenken, zeg ik tegen mezelf. Kalm blijven, nu. Ik moet er echt weer even inkomen. Dat er twee vriendinnen naast haar zitten, helpt ook niet mee. Een kwartier gaat voorbij. Mijn handen zijn koud geworden. Ik bestel nog een koffie, ga een keer naar het toilet. Zodra ik daar ga zitten, voel ik hoe zweterig ik ben.

Terug in de stoel lees ik een passage waarin de hoofdpersoon een vrouw probeert te verleiden, maar ze blijkt een vriend te hebben. Dat houdt hem niet tegen, integendeel, en ze belanden in bed. Ik klap het boek hard dicht. Vastberaden neem ik een laatste slok koffie. Koud. Ik kijk, misschien heeft ze mijn domme gezichtsuitdrukking gezien. Ze kijkt terug, lachend. Inmiddels is er een uur verstreken. Op het moment dat ik eindelijk een grappige openingszin heb over het ironische contrast tussen het boek en mij, komt Marc het trapje op. Hij kijkt haar aan, knipoogt en zegt: ‘Asjeblieft, een stukje zelfgemaakte appeltaart. Van het huis.’

Standaard