Haat

De Macht van de Massa

Ze liepen hand in hand, Theo en zijn zoontje Tommy. Het was niet ver naar het stadion, maar ze waren al uren van tevoren op pad gegaan.

Ze gingen kijken. Naar de mensen, naar de honden. Honden, zo noemden ze de tegenstander. Vroeger had Theo zelf vaak tegenover ze gestaan. In de kroegen, in de stegen. Sinds de geboorte van zijn zoon was hij ermee gestopt, maar het was wel het enige waar hij over vertelde. Het grote clubgevoel was op Tommy overgeslagen. En die was nu oud genoeg om mee te gaan.

Ze liepen door de kleine volkswijk, die door de jaren heen nauwelijks veranderd was. Alleen het postkantoor was weg en de lantaarnpalen waren vernieuwd, maar grijs waren ze nog steeds. Ze liepen langs de computerwinkel, waar vroeger een bakker had gezeten. Op internet had Theo gelezen dat de honden rond twaalf uur hun kroeg wilden overvallen. Hij wilde op het bankje aan de overkant naar de confrontatie kijken, samen met Tommy. Onderweg kwamen ze weinig tegen. Een enkeling liet zijn hond uit, een echte. Een man liep hard. De wind was hoorbaar. Het was stil op straat voor een wedstrijddag.

Theo dacht aan vroeger, hoe hij met zijn vrienden door dezelfde straten had gelopen. Hoe ze voor het weekend leefden, auto’s in brand staken en elkaar nooit zouden laten vallen. Doordeweeks in de fabriek, op kantoor of in een plantsoen, het maakte niet uit. Hoe ze naar uitwedstrijden gingen. Met zijn honderden de bus in, doorgesnoven de straten op, de kroegen bezoeken. En niemand die afrekende bij vertrek, het was de macht van de massa. Ze liepen met stanleymessen in hun laarzen en capuchons over hun hoofden over de wegen van de rivaliserende steden, de confrontatie zoekend. Vaak genoeg waren ze met minder geweest, maar nooit deden ze een stapje terug. Het was een kwestie van eer, van trots. Maar de mooiste dagen waren die wanneer de honden kwamen. Tot in de puntjes werd hun bezoek voorbereid. De politie werd omzeild, er werd op geheime plekken afgesproken voor de confrontatie. Er werden flessen gegooid en stanleymessen, kettingen en buizen gebruikt, maar alles met respect. Tot de dag dat hij Benny verloor, een week voordat Tommy geboren werd. De honden hadden hem doodgeschopt, terwijl hij op de grond lag. Vanaf dat moment was alles anders. Het wederzijds respect was verdwenen. Theo was er toen uitgestapt, hij deed niet meer mee.

En nu wilde hij Tommy laten zien hoe het allemaal in elkaar stak.

Het was bijna twaalf uur. Ze keken vanaf het bankje naar de kroeg. In het tunneltje verderop klonk geschreeuw en werden er flessen kapot geslagen. De honden kwamen eraan. Het werd een lafhartige confrontatie. Ze gooiden de ruiten van de kroeg in met een brandende fles drank. Ze sloegen met ijzeren buizen het interieur kort en klein. Theo wilde zijn zoon laten zien wat voor een verschrikkelijke wereld het is. Ze werden voetbalfans.

Standaard