Verhaal #195 • Afgesproken thema: Heilige

Autodrop

“Wil je nog een dropje?” vroeg ik hem. Hij zei niks. Hij zat daar maar naast me, zwijgzaam. Rustig, misschien omdat hij het hier goed kende. “Het is Autodrop, hè.”

Ik stuurde mijn auto door de scherpe bochten. Langs de weg stonden ceders. Het huisje was niet ver meer. Ik vroeg of hij naar de radio wilde luisteren, maar hij vond de radio hier niks aan. Hij keek uit het raam, met zijn handen naast zich op de stoel. Eigenlijk mocht hij nog niet voorin, maar we deden het gewoon. Eén blikwisseling was genoeg geweest: het was ons geheim.
Je kon het huisje al zien op de heuvel, maar door de slingerweg duurde het altijd langer dan je dacht. Ik kon daar altijd slecht tegen, hem leek het niet uit te maken. Hij vond het uitzicht hier mooi.

Het huisje was een van binnen volledig verbouwd kerkje. Het kruis voorop en de glas-in-loodramen waren gebleven, al het andere was veranderd. Het was oorspronkelijk een wit kerkgebouw, zonder toren. De voorkant werd gesierd door een groot, houten kruis. Het was prachtig. We waren er sinds zijn moeder en ik elkaar kenden elk jaar heen gegaan en sinds hij er was vaker per jaar. Altijd in februari, een enkele keer ook in de herfstvakantie, als het kon. Eerst huurden we het, maar na ons derde bezoek hadden we het gekocht. De zaak liep goed, zijn moeder had net haar eerste boek en de eigenaar wilde er vanaf. We hadden het er zelfs over gehad om er te gaan wonen.

Het was de eerste keer dat zij niet mee was. Vlak voor dat we vertrokken ging het zoals je je dat soort gesprekken voorstelt. Nee, er kan echt niks gebeuren. Natuurlijk doen we voorzichtig. Ja, ik heb de gevarendriehoek achterin. Er ligt nu helemaal geen sneeuw. We bellen als we er zijn. Concentreer jij je maar op jezelf, alles komt goed.

“Ons huis is heilig, toch, Peter?” zei hij toen we moesten wachten op de boer met zijn kudde koeien. Langzaam staken ze in een rij de weg over om, na goedkeuring van de boer, van de ene weide naar de andere over te gaan. Op weg naar de stal.
Ja, had ik gezegd. Ons huis is heilig. Als we daar zijn, zijn we beschermd.
We waren niet gelovig. Zo hadden we hem niet opgevoed. Maar ik was met hem eens dat het huis altijd een bepaalde gloed over zich had gehad. Iets onvatbaars. We keken elkaar aan, zeiden niks meer. De boer ging voorbij, we glimlachten en ik reed verder.

Hij wilde iets van achterin pakken. Zijn eigen snoep, geloof ik. Hij keek me aan, zei niks. Ik knikte, doe maar. We zijn er toch bijna. Hij deed zijn gordel af, klom op de achterbank en graaide in een rugzak. Ik keek om. Nee, daar achter, zei ik, in de blauwe krat. Daar, met de boodschappen. Ik lette niet op. Ik ben een zondaar. Ik keek niet uit. Ik had hem niet zien aankomen. Ik ben een zondaar. Ik liet het stuur los. Ik ben een zondaar. Ik ben een zondaar. Ik ben een zondaar.



Wie is Matthijs van Asselt?

Matthijs van Asselt is komiek, held en neus van beroep. Als hij zich niet afvraagt hoeveel vorken er in de wereld zijn, dan berijdt hij wel een groene tractor of geeft hij zomaar grasmaaiers weg via Facebook. Dat absurdisme typeert de schrijver Matthijs van Asselt waarbij niet alles lijkt zoals het is en zeker niet alles is zoals het lijkt en als het wel lijkt zoals het is, dan moet je er vooral niks anders achter zoeken, want het kan niet altijd raak zijn. Desondanks is Matthijs de absolute publiekslieveling van Het Schrijversgenootschap zoals Dirk Kuyt dat ooit bij Liverpool was. (JE / HdK) Volg Matthijs op Twitter →
Standard