Paranoia

Niet alleen

“Ik ben Jimmy Today, een Amerikaanse blues artiest,” roep ik vlak voordat ik plaatsneem.

Een deel van mijn publiek op het terras van een café aan de Rozengracht knikt bewonderenswaardig. Ik zit met mijn rug tegen de bank onder het raam, zodat ik alleen voor me hoef te kijken. Binnen zit niemand.
“In 2008 ben ik overgekomen vanuit De States. Man, wat is het herfsty weer uit hier,” zeg ik uit luid. De gitaar staat onrustig in zijn stoel, met zijn hals tegen de tafel, alsof hij bang is nooit meer gebruikt te worden. Ik zet de hoed iets schuiner op mijn hoofd. Ik kijk links, ik kijk rechts. Niemand te zien.
“Straks ga ik even naar de platenwinkel hier verderop,” zeg ik tegen de dame het meest tegenover mij. “Signeren.”
“Ken jij hem?” zegt ze tegen haar tafelgenoot. Ik ben verbaasd dat ze me niet herkent.
Bij de waitress wil ik iets bestellen. Een whisky. Ja, een whisky kan wel. Ik kijk rechts, ik kijk links en weer rechts. Niks.
“Ik kan niet meer terug. Iemand zoekt mij,” zeg ik tegen de twee ladies. Ik haal de sigaret uit de leren jas om mijn schouders en loop naar een rokende man voor een lichtje. Terwijl hij de aansteker voor mijn gezicht houdt neem ik de hoed af, maak een lichte buiging en probeer nonchy een hand door het veel te vette haar te halen. Terwijl ik dat doe kijk ik hem lang aan, maar hij maakt geen move. Het is niet één van hen. Ik kijk over mijn rechterschouder, ik kijk over mijn linkerschouder. Er zijn teveel mogelijkheden nu. Terug naar de bank bij het raam.

“Waitress! Hey! Kan jij checken of er iemand voor me gebeld heeft?”
Ze knipoogt naar me en zegt: “Maar natuurlijk, meneer Today. Ik ben zo terug.”
Ik kijk vooruit. Geen enkel teken van Michael of David, dus voorlopig ben ik hier wel veilig. Ik zie de twee vrouwen vragend naar me kijken. Ze willen natuurlijk weten waarom ik niet terug kan en wie mij zoekt. Ik wil het best uitleggen, maar ik weet niet of ik ze kan vertrouwen, ze letten wel erg veel op me. Ik ga eerst wel even naar de wc. Als niemand me volgt, zal ik ze het vertellen. Ik kijk links, rechts en sta op. Dan loop ik naar binnen, om voor ik de trap afdaal nog even om te kijken. Ik controleer, trede voor trede, de trap op camera’s. Langs de leuning lopen geen wires. Ik doe mijn behoefte in een urinoir – dat is veiliger dan opgesloten in een hokje – met mijn hoofd constant over mijn schouder. Ik loop de trap weer op. Op het moment dat ik de laatste trede raak, hoor ik: “Daar is-ie!”
Achter mij klinkt Michaels stem en ik weet dat het over is. Ik laat mijn hoofd hangen. Kijk niet om. Niet links, niet rechts. Langzaam draai ik om. Volgens mij praat hij nu tegen mij, maar ik heb mijn handen op mijn oren en schud hard mijn hoofd heen en weer. Ik hoor flarden van wat hij zegt. Iets over dat de gitaar terug moet. Hij pakt mijn rechterhand vast, waardoor ik “Gerben, je weet dat je niet meer alleen weg mag” en “David en de anderen waren ook ontzettend ongerust” wel meekrijg. Mijn hand laat hij niet meer los. Tegen de serveerster zegt hij: “Bedankt voor het bellen. Heeft hij voor veel overlast gezorgd?”

Standaard