Kapper

Omdat alles ineens zo verschrikkelijk anders is

‘Kap er maar gewoon mee. Moet toegeven dat ik dat best weleens heb gedacht.’

Ze kijken elkaar aan en een paar meter verderop sluit de sprinter naar Utrecht zijn deuren.
‘Maar die oplossing zou te makkelijk zijn.’
Ze knikt.
De trein trekt op.
‘Tijdens mijn vakantie heb ik me voorgenomen voor je te vechten,’ zegt hij. ‘Dobberend in de Middellandse Zee, honderden kilometers van je vandaan, heb ik hardop tegen mijzelf gezegd dat jij het waard bent.’
Vlak naast hun wordt een vouwfiets uit zijn bewuste kreukels gehaald.
‘Ik weet het gewoon niet,’ zegt ze. Haar stem is zacht, haar ogen zijn waterig. ‘Ik ben bang dat het niet zal werken.’
Een goederentrein dendert door het station. Bestemming onbekend. Het schelle geluid van zwaar metaal op metaal maakt spreken voor even onmogelijk. Maar dat is niet erg.
Hij kijkt in haar ogen. Die ogen waar hij zo vaak en lang in heeft gekeken. Bij hem thuis. In het park. Op het terras. In het Rijksmuseum.
Maar nu is alles ineens anders. Verschrikkelijk anders.
Ze wendt haar blik af, naar de grond. Hij wil haar in zijn armen nemen. Een kus geven op haar voorhoofd. Zeggen dat alles goed komt, als we er maar in blijven geloven.
Maar hij zwijgt.
‘Het spijt me,’ fluistert ze als de goederentrein het station is gepasseerd. ‘Het spijt me zo. Ik weet het gewoon niet.’
Hij speelt met het touwtje van zijn jas. Woorden zijn op. Misschien is hij toch geen vechter.
Een trein heeft vertraging, wellicht de zijne.
Ze richt haar hoofd op en kijkt hem aan. Met haar hand veegt ze een traan uit haar rechteroog. En dan uit haar linker. Ze kan het niet bijhouden. Het is een spel dat ze niet kan winnen.
Hij laat het touwtje van zijn jas los. Zijn handen voelen ineens vreselijk overbodig. Zijn handen die altijd zo lekker warm zijn dat zij het gekscherend een van zijn beste eigenschappen noemde en waarop hij antwoordde dat hij dat dan maar op zijn CV moest zetten. Die handen willen zo graag nu die van haar pakken. In deze klotestad, op dit klotestation, op deze kloteavond.
Maar hij kan het niet. Omdat alles ineens zo verschrikkelijk anders is.
Een zucht verraadt zijn machteloosheid.
‘Het voelt alsof mijn hart zojuist door die goederentrein is meegenomen,’ fluistert hij.

Standaard

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *