Gulzigheid

De Gulzigheid van Lot

Lot – haar achternaam heb ik nooit geweten – was een sterke doch zwaar gefrustreerde vrouw die mij ontzettend dwars zat. Dat vergaf ik haar ook wel weer, want er zat haar ook van alles dwars.

Wat kon ik niet weten, maar ik deed mijn best om haar te begrijpen. Ik nam de tijd voor haar. Dat begon vanzelfsprekend met een goede maaltijd. Ik gunde haar de Chateauneuf Du Pape uit ’93. Vaak aten we – zo kun je het toch wel noemen – tagliatelle, want daar deed ze me sterk aan denken. Zo was er haar kleur – een gebroken, naar het beige neigend wit. Tenminste, in de meeste gevallen was dat zo. Pas toen ze bij me wegging, was ik erachter gekomen hoe ze er werkelijk uitzag. Maar ook haar proglottiden, de korte stukjes die haar groei aanduidden – het zijn de kleine dingen in het leven die er toe doen – deden mij aan de pastasoort denken. Ook probeerde ik haar zo vaak mogelijk te vertroetelen. Alles om die frustratie te kunnen begrijpen. Dan zocht ik haar op en gaf ik haar een – naar ik dacht – rugmassage, zodat ze zich ontspande en ze alles de vrije loop kon laten. Ondertussen hield ik mijzelf in het reine.

“Ik denk dat frustratie de motor is van creativiteit. Ik denk als je volmaakt gelukkig bent, dan houd je het voor gezien. Dan is het hier en nu voldoende. Juist die frustratie doet je geen genoegen nemen met het hier en nu. Honger komt daar uit voort,” citeerde ik min of meer Pim Fortuyn, die dat ooit weer tegen Theo van Gogh had gezegd. Twee mannen, de een dik en harig en de ander dun en kaal. Het was bijna dezelfde situatie, behalve dat ik het oreerde voor mijn Lot – wier ongekende drang naar de voor mij bestemde voedingsstoffen ik toekende aan de frustratie van die parasiet. Ze was creatief genoeg om haar honger te voeden.

Ik had weinig tijd meer voor andere dingen. Dit had met het totale gebrek aan levensenergie te maken, maar niet minder met de behoefte om de frustraties van mijn Lot te kunnen duiden. Maar zoals ik mijn parasiet had, moest Lot misschien wel met haar eigen uitvreter rekening houden. Daar kwam ik weinig over te weten, behalve dat het daarmee geschetste droste-effect me hongerig maakte. En zo kon ik niets anders dan onze honger proberen te stillen. De bron van alle oorlog is de zotheid, stelde een wijs man ooit. Hij beweerde dat er niets slechter is dan een strijd aan te gaan waar beide partijen meer nadeel dan voordeel van ondervinden. En daarmee was er gelijk een brug te slaan naar mijn humane houding ten opzichte van mijn Lot. En dat terwijl zij een lange lintworm in de dunne darm des levens was. Maar op zekere dag raakte ik haar uiteindelijk kwijt. Opeens ontlastte ik mijzelf van mijn Lot en kwam er een eind aan de immense honger. Het wachten is op de terugkeer van de levensenergie.

Standaard

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *