Gulzigheid

De koek is op

Je kunt niet alles hebben. Vader zei dat vaak. Niet alleen tegen mij, zijn enige zoon, maar eigenlijk tegen iedereen.

Nooit was het bedoeld als wijze raad, je zou het meer kunnen omschrijven als een waarschuwing. Een waarschuwing dat hoge verwachtingen alleen maar uitlopen op teleurstellingen.

Moeder werd vaak gewaarschuwd. Vooral als ze door de nieuwe Wehkampgids bladerde, zowel de winter- als zomereditie. Als ze dan net iets te lang boven een pagina bleef zuchten, liet vader zijn krant tergend langzaam zakken en keek hij haar richting op. En dat was altijd genoeg.

Op een middag toen vader nog op zijn werk was en moeder in de keuken, bladerde ik door de Wehkampgids, vluchtig op zoek naar de dames badmode. Bladzijde 94 had een ezelsoor. Sieraden en horloges.

Die avond zaten we met z’n drieën in de woonkamer. Vader zat met zijn hoofd in het buitenlands nieuws en moeder las haar streekroman. Ik zat op de bank, bij het raam, met een Donald Duck die ik al minstens zes keer die week had gelezen. De Friese Staartklok die nog van Beppe was geweest, gaf het ritme van de avond een geluid.

Ik keek naar mijn moeder. Haar lippen bewogen bij elke lettergreep die ze las. Alsof ze haarzelf voorlas in een stomme film. “Laat me toch,” zei ze toen ik eens vroeg waarom ze dat deed. “Ik doe er toch niemand kwaad mee?”

Voorzichtig vouwde moeder het hoekje van de pagina dubbel die ze nog moest lezen. Ze legde het boek naast haar in de leesmand, de kaft naar boven. Er stond een tekening op van een man met een koe voor een boerderij. De lucht boven hem was grijs.
Moeder stond op uit haar stoel en liep naar de keuken. De klok van Beppe liet horen dat het precies acht uur was.

Op het dienblad dat moeder vasthield stonden twee koppen koffie, een glas limonade en de blikken koekjestrommel.
Ik legde mijn Donald Duck neer en wachtte op het lekkers dat nu ging komen. Moeder haalde het deksel van de koekjestrommel en liet vader als eerste kiezen. Hij glimlachte even, pakte een sprits, en verborg zich weer achter het nieuws. Nu was het mijn beurt en ik ging er even beter voor zitten. Een sprits, dat leek mij ook wel wat. Of anders een stroopwafel. Misschien een jodenkoek, ook al was het woensdag.

Maar de koekjestrommel kwam niet mijn kant op.

“Wat doe je nu?” riep ik naar moeder. “Ik wil er ook eentje!”
Moeder zakte in haar stoel en pakte langzaam de Wehkampgids uit de leesmand. Ze legde het zware boekwerk op haar schoot en zei toen: “Je vader heeft de laatste. Morgen haal ik wel nieuwe.”
“Waarom hebben we niet meer?” vroeg ik en met een snelle handbeweging veegde ik de vochtigheid uit mijn ooghoek. “Ik wil ook een sprits! Vader eet altijd alles op!”
De krant zakte langzaam en eenmaal met het sportnieuws op neushoogte keken de ogen van vader mij recht aan.
Ik snikte en zei: “Maar ik wil alleen een sprits hebben, ik hoef heus niet alles.”

Standaard

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *