Jaloezie

Wim

“Kijk, daar komt-ie weer aan. Met zijn Milestone. Dat is een handgemaakte, metalen mepper uit Hannover. Een heel mooie,” zei Wim terwijl hij trachtte te wijzen.

Vroeger was Wim de orgelman van dit dorp geweest. Sinds de reuma flink had opgetreden en hij noodgedwongen moest stoppen was Gerrit de Bock dat.
“Wat voor merk mepper had jij vroeger dan, Wim?” vroeg ik, maar ik zag het glanzende metaal precies voor me.
“Een Bellinger. Dat waren pas klappers. Hoorde je gewoon het verschil tussen een vijfje en een knaak. Heb je dat? Bellinger. Met dubbel L.”
We zaten op een bankje, tegenover het restaurant waar we nog groentesoep zouden eten. Mijn notitieboekje waaide van mijn schoot toen hij vertelde dat Gerrit bij hem in de klas had gezeten op de lagere school. Ze hadden een oogje op hetzelfde meisje gehad en uiteindelijk was Wim er het eerst ‘op geweest’, zei hij. Meer hoefde ik even niet te weten.

“Hij moest zelfs een orgelcursus volgen, hij wist echt helemaal niks. Ik heb het vak tenminste van mijn vader geleerd – God hebbe zijn ziel. Mijn ma is er ook niet meer, hoor,” zei hij en daarop keek ik weg.
Daarna vertelde hij dat het tien jaar geleden was dat hij moest stoppen en het zwaarste gevoel wel was weggeëbd, maar wat het meeste wrong, was om te zien dat Gerrit het samen met zijn zoon deed. Wim had vlak voordat hij ongeschikt verklaard werd zijn eigen zoon om hulp gevraagd, maar die was na de dood van zijn moeder zonder een woord naar de stad verhuisd. Op Wims laatste verzoek was hij ook niet ingegaan. Hij heeft hem nu twintig jaar niet gezien, vertelde hij.
Dit deed pijn.
“Als ik zie hoe Gerrit dat samen met zijn zoon doet… Ja, dan voel ik wel afgunst. Tobias draait en Gerrit met de mepper. Die samenwerking maakt me nijdig.” Ik schreef het op.

“Als ik zo vrij mag zijn, Wim – wat is er met zijn moeder gebeurd?”
“Daar heb ik het liever niet over.”
“Dat dacht ik al.”
“Hmm.”

Wim wreef moeizaam met zijn iets betere rechter over zijn linker.
“Misschien is het wel gerechtigheid, die slechte handen. Ik heb ze niet altijd even netjes behandeld.” Er raasde een zandstorm over het bankje. Ik haalde diep adem en voelde het schuren. Noteren deed ik al niet meer.

“Wanneer wordt dit eigenlijk gepubliceerd?”
“Sorry?”
“Wanneer staat dit in de krant?”
In de verte hoorde ik Tulpen Uit Amsterdam en een rammelende Bellinger.
“Laten we soep gaan eten.”

Standaard

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *