Carnaval

Verwarrende tijden

Als ik op mijn tenen stond, kon ik net nog de witte smurfenmuts van Maarten zien, aan de andere kant van de belachelijk drukke kroeg. Tien minuten waren we binnen en ik had er nu al spijt van dat ik me afgelopen maandag had laten overhalen.

Dit was niks voor mij. Ik moest hier weg en nu wel meteen. “Ja, ik kan ook door de waterkraan!” hoorde ik Maarten nog schreeuwen toen ik na een helse tocht langs uitzinnig verkleedde Brabanders eindelijk de deur van het Knalpotje had bereikt. “Wil je straks weer naar binnen?” vroeg de portier en zonder mijn pas in te houden schudde ik m’n hoofd. “Nee, ik ga lekker naar huis.”
Buiten gekomen nam ik eerst een flinke teug frisse lucht tot me. En nog een. Het werkte verslavend en ik had het blijkbaar nodig, want hierna volgden er nog meer. Pas na een halve minuut zuchten als een oude stoommachine begon ik door te krijgen dat ik midden in een groepje dwergen stond.
Dit had ik weer.
Ze keken me allemaal aan en ik begon me nu wel aardig ongemakkelijk te voelen. Ik moest nu iets zeggen, maar wat zeg je tegen dwergen? Uiteraard niet beginnen over hun gebrek aan lengte, dat sprak voor zich. Wellicht gewoon een praatje, over normale dingen. “Goh, dus PSV heeft Driesje Mertens alsnog verkocht.” Zoiets. Je moet ze vooral niet anders behandelen dan normale mensen.
Net voordat ik de problemen rondom de Fyra wou aansnijden met de mannetjes, nam de dwerg tegenover me het woord. “Kom je hier vaker?” vroeg hij met een veel zwaardere stem dan ik ooit had verwacht. Als die zanger van The Doors, maar dan drie keer zo klein. Op zijn gezicht, onder die belachelijke muts, verscheen de meest enge glimlach die ik ooit had gezien. Ergens lag een dwergendorp waar ze niet uitblonken in tandheelkunde. Langzaam waggelde hij op me af.
Ik begon me zowaar nog ongemakkelijker te voelen. En in de war. Werd ik nu versierd door een homoseksuele mini Jim Morrison voor café het Knalpotje? Was dat wat er nu gebeurde? En waarom voelde ik me toch wel een beetje gevleid? Omdat elke man zich wel eens als Sneeuwwitje zou willen voelen? Zoals ik zei, het waren enorm verwarrende tijden.
Inmiddels stond-ie voor me. Hij kwam tot mijn knieën. “Nee, ik kom uit Amsterdam,” zei ik naar beneden, tegen de muts. Geen antwoord. Zenuwachtig vervolgde ik: “Kennen jullie die stad? Het is de grootste van Nederland.”
En toen gebeurde iets wat ik niet verwachtte: Jim Morrisonnetje schopte tegen mijn rechterbeen. Hard. Er zit veel kracht in die kleine pootjes, vergis je daar vooral niet in.
“Kutkabouter!” riep ik ontzet. “Wat flik je me nou?”
Hij lachte hard, gooide het restant van zijn scheetige sigaretje op de grond en floot op zijn resterende tandjes. Daarna liep het hele kluitje dwergen naar hun schattige motortjes die naast café het Knalpotje stonden geparkeerd. Ze sprongen erop en reden weg zoals Hells Angels in misdaadfilms. Met groot verschil dat deze engeltjes veel sneller een stipje aan de horizon waren.
Het was allemaal een beetje onwerkelijk. Maar goed, ik was natuurlijk ook in Brabant.
Ik draaide me om en zei “daar ben ik weer” tegen de portier.
Aan de bar vond ik Maarten. Zijn blauwe schmink leek het te gaan verliezen van de hitte. Hij gaf me een pilsje en vroeg: “Watskesmurft?”

Standaard

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *