Failliet

We zijn geen neanderthalers

De twee-onder-een-kapwoning aan de Professor Doctor Beyerinckstraat 43 in Warffum is vol en er gaat een goed bezet schaaltje met stukken worst en kaasblokjes de groep rond. Let wel: Kaasblokjes zonder vlaggetjes erin.

Het intrigeert me, deze opmerkelijke absentie van vlaggetjes, maar ik durf niet aan Karin te vragen hoe de vork nu precies in de steel zit. Ze had al liever gehad dat ik helemaal niet was langsgekomen.

“Ze vindt je raar,” had Bart, haar vriend en onze onbetwiste aanvoerder sinds jaar en dag, eens tegen me gezegd toen ik ‘m in de kleedkamer na een zowaar gewonnen wedstrijd vroeg waarom ze mij altijd mijdt in de kantine, op feestjes en op feestjes in de kantine. “Je maakt altijd van die slimme opmerkingen over schrijvers van boeken die zij nooit zal lezen of over bekende mensen waar ze nog nooit van gehoord heeft en dan voelt ze zich heel dom. Meer is het niet.” Omdat ik daar weinig tegenin kon brengen, Karin was nou eenmaal gezegend met een verbazingwekkend belabberd stel hersens, had ik geknikt en zachtjes “oké, ik snap het” gezegd. Bart nam toen een laatste trek van zijn sigaret, schoot het smeulende restant richting de douches en sloeg me bemoedigend op de schouders zoals aanvoerders dat alleen kunnen. “Joh,” zei hij, “wijven, altijd gezeik. Laat maar lekker gaan. Goeie pot gespeeld, man. Die lelijke rechtsback van ze wist niet waar die het moest zoeken vandaag.”

Links van me zit ene Freek. Zijn achternaam weet ik niet, hij hoort niet bij ons, maar hij heeft zo’n grote zwarte bril op en hij praat zoveel onzin over de laatste wedstrijd van Ajax en de zogenaamde looplijnen die beide vleugelspelers verzaakt hadden uit te voeren dat ik bijna mijn belofte wil breken om nooit meer in een gemengd gezelschap over voetbal te praten.

Maar ik zeg niks. Ingrid heeft het niet zo op voetbal, volgens mij.

Ik kauw op het warme kaasblokje en kijk naar rechts. Twee stoelen verder zit Berrie en zijn achternaam weet ik wel: De Beuker. Het klinkt als een bijnaam, De Beuker, en ik moet je nageven, het bekt ook goed: Berrie de Beuker. Weliswaar trapt hij elke thuiswedstrijd, en dan bedoel ik dus ook echt elke thuiswedstrijd, de rechtsbuiten van de tegenpartij standaard na een minuut of vijfentwintig over de omheining ter hoogte van het reclamebord van Smulpaleis de Warffumse Veelvraat, maar De Beuker staat dus echt op zijn spelerspas. Och, kijk hem nou eens lachen, met die rotte tanden van hem en een stapel lege schaaltjes op zijn schoot. Als je hem eenmaal kent en hij jou en je houdt van kinderlijke poep- en piesgrappen, dan kun je nog best met hem lachen.

Als je er bij stil staat, is het een vreemde situatie waar ik in zit Behalve dat we wekelijks op hetzelfde voetbalveld staan, hebben we weinig met elkaar gemeen. Maar toch, het werkt. Deze gasten zijn een onderdeel van mijn leven en wellicht belangrijker dan ik zelf denk. Misschien moet ik het opschrijven, hoe raar deze avond eigenlijk is. Straks is het te laat. Zoals in het liedje van Spinvis: “Voor ik vergeet en later alles anders heet. Voor ik vergeet en ik de feiten en de cijfers en de namen van de schrijvers niet meer weet.”

“Bier! Wie wil er nog bier?” schreeuwt Karin en zonder de antwoorden af te wachten begint ze flesjes uit te delen uit het krat waarop ze zit. Grolsch, de rest zuipen we hier niet. We zijn geen neanderthalers.

“Met je bek! Met je bek! Met je bek” schreeuwen ze allemaal en een paar seconden later spuugt Berrie een bierdop uit, precies in de asbak voor die ene Freek op het bijzettafeltje. Als een in de laatste minuut scorende spits in de WK finale neemt Berrie het applaus in ontvangst. Met zijn armen in de lucht rent hij zo’n rondje of vier door de kamer. De boer die volgt is er geen van oprisping van gassen uit de maag die via de slokdarm naar buiten komt na overmatig drankgebruik, maar, en dat weet ik bijna zeker, eentje van liefde en waardering naar ons, de mensen waar hij op dit moment het meest van houdt.

Ik sta op en loop naar de keuken. Zonet liep Ingrid daarheen met de lege schaaltjes, en met het excuus van “ik zet deze lege flesjes wel even in het krat in de achtertuin” ben ik uit de groep gestapt en heb ik haar gevolgd. Ze heeft een blond, pittig kapsel en heet voluit Ingrid Madeleine Vissenkorf. Ik heb het altijd grappig gevonden dat haar achternaam rijmt op die van Alfred Issendorf, de hoofdpersoon uit WF Hermans meesterwerk Nooit meer slapen.

Afijn, op de fiets hiernaartoe had ik besloten dat het er nu maar eens van moest komen tussen mij en Ingrid. Toen ik via Bart had gehoord dat ze tegen Karin had gezegd dat ze ook zou langskomen aan de Professor Doctor Beyerinckstraat 43 in Warffum had ik abrupt besloten een avondje lezen in de nieuwe Peter Buwalda op te geven voor de liefde.

Ingrid lacht als ze me ziet worstelen met de deurklink van de achterdeur, mijn handen vol met lege flesjes.
“Jij bent ijverig,” zegt ze en ik glimlach. Nu moet ik iets zeggen, ik ben bekend met het protocol flirten, maar ook al ben ik zonder meer de slimste van het stel, mijn hersens laten me nu even volledig in de steek. Dan schiet de deur open en breekt een bierflesje zijn val op mijn gympen.
“Gaat alles goed?” vraagt Ingrid en ik knik zenuwachtig.
“Alles onder controle,” mompel ik veel minder stoer dan het in mijn hoofd klonk.

Klaar met mijn emballagetaak en/of aanzet tot subtiele versierpoging loop ik terug naar de keuken en daar staan we dan eindelijk oog in oog. Nu moet het gebeuren. Ik schraap m’n keel en Ingrid haalt een hand door haar blonde, pittige kapsel.
“Weet jij,” begin ik eindelijk na een stevig intern spoedberaad over het wel of niet inzetten van dat leuke WF Hermans grapje, “waarom er vanavond geen vlaggetjes in de kaasblokjes zitten?”
“Geen idee,” lacht Ingrid en dan loopt ze weer naar de huiskamer. Een schaal met augurken omhult met boterhamworst in haar hand. Halverwege, ongeveer ten hoogte van de driepersoonsbank, loopt die ene Freek haar tegenmoet en legt zijn arm om haar. Dan roept hij luidkeels: “Iedereen luister! Deze schat hier zei gisteravond dat ik prima bij een profclub als Emmen of Veendam zou kunnen voetballen als ik dat zou willen. Nu weet ik best dat de vrouwtjes geen kaas van voetbal hebben gegeten, maar hier moet ik mijn poppetje toch even gelijk in geven. Niet dat ik ze zelf zou bellen, ik ben niet zo wanhopig als Berrie, maar als Veendam bij me op de stoep zou staan met een mooi contractje, zou ik zeker geen nee zeggen.”

“Veendam is al lang failliet, lul,” zeg ik en neem een nieuw flesje bier van Karin aan als ik weer zit op mijn stoel in de kring. “Lees je geen Voetbal International ofzo? Kun je überhaupt wel lezen, gast?”
Even is het stil in de volle huiskamer aan de Professor Doctor Beyerinckstraat 43 in Warffum.
Dan het geluid van een bierdopje in de asbak gevolgd door een luide boer.
Eentje van liefde.

Standaard

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *