Stank

Bijdehand

Van de man die niet mijn vader was, kreeg ik een forse tik op mijn achterhoofd. Ik schrok eerst en barstte toen in huilen uit met lange halen en grote tranen.

De andere man, mijn vader, keek me aan, maar zei niks. Er liepen mensen voorbij, koopzondag, maar niemand schoot mij te hulp. Niemand legde een hand op mijn schouder en vroeg: “Heb je veel pijn, jongen?”.

Een minuut of tien stonden we zo met z’n drieën in de drukste winkelstraat van Amsterdam. Bijna elke zondag kwam ik hier met mijn vader. Iets kopen deden we bijna nooit, behalve vorige week. We liepen langs de grote elektronicawinkel waar we altijd stilletjes langs liepen toen mijn vader mij ineens naar binnen duwde. “We moeten een nieuwe stofzuiger,” zei hij.

Dat wist ik niet.

We kochten een zwarte met rode strepen, een van de eersten die we zagen. Een man van de winkel in een paars overhemd zei dat het een goede keuze was. Dit was de beste in zijn soort, met extra zuigkracht, soepele zwenkwieltjes en handige hulpstukken om ook het stof op die lastige plekjes in het huis te kunnen opzuigen.

“Stil jij,” zei mijn vader toen ik aan het Paarse Overhemd vroeg of hij de stofzuiger kon inpakken omdat het een cadeautje voor mijn moeder was. Mijn vader had ik nog nooit stof zien zuigen, zelfs niet op de plekjes waar je makkelijk bij kon.

Een paar minuten geleden was een medewerker van de telefoonwinkel in de drukke winkelstraat naar buiten gekomen om te kijken waar dat gejank vandaan kwam. Van mij dus. Even hadden we oogcontact, maar hij deed niks. Geen hand op mijn schouder. Hij keek naar de twee mannen en liep en toen weer naar binnen. Zijn overhemd was groen.

En toen begon het te regenen. Eerst een paar druppels. Van die dikke die op de straat naast je neerploffen als een klein, onheilspellend bombardement. Mijn vader stak zijn hand uit om de aanslag op waarde te schatten en na een paar seconden wist hij genoeg: het ging regenen.

“Nu is het klaar,” zei mijn vader en hij pakte ruw mijn rechterarm. De andere man zei hij gedag en met een stevige duw zette mijn vader mij in beweging richting tramhalte Koningsplein.

De regen kwam nu met bakken naar beneden en camoufleerde mijn tranen alsof ik ze nooit had gehuild. Met mijn tong ving ik een paar druppels op die van mijn wang gleden. Ik proefde ze, het waren geen tranen.

Ik was dus klaar met huilen.

In de tram zat ik naast mijn vader, vlak bij de ingang. Onze dijbenen maakten contact en de stofzuiger lag op z’n schoot, verstopt in een rode, waterdichte plastic tas. We zwegen. Hij keek naar buiten, ik naar mijn kaartje. Blauw en een uur geldig.

Langzaam reden we door de zeiknatte Amsterdamse binnenstad, bij elke halte grote groepen doorweekte mensen ophalend. Mijn vader zuchtte zijn ongenoegen. Ik durfde niet naar hem te kijken. Misschien had het Paarse Overhemd ook een apparaat waarmee je alle stomme dingen kon opzuigen. Met handige hulpstukken voor alle klote hoekjes.

“Het stinkt hier vreselijk naar natte hond,” zei mijn vader ineens hardop zonder zijn blik van waterpaleis Amsterdam te halen.
We reden een drukbezette halte voorbij zonder te stoppen.

“Ja,” zei ik zachtjes, “natte honden stinken.”

Standaard

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *